Auteursrecht - Droit d'auteur  

IEFBE 4290

BGH bevestigt pastiche-exceptie voor sample uit ‘Metall auf Metall’

Duitse jurisprudentie - Jurisprudence allemande 3 sep 2026,, IEFBE 4290; https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/bgh-bevestigt-pastiche-exceptie-voor-sample-uit-metall-auf-metall

Bundesgerichtshof 3 september 2026, IEF 23797; IEFbe 4290; I ZR 74/22 (Metall auf Metall VI). In deze zaak tussen Kraftwerk c.s. en Pelham c.s. staat de vraag centraal of het gebruik van een twee seconden durende ritmische sequentie uit het nummer Metall auf Metall door middel van sampling kan worden aangemerkt als een toegestane pastiche. De sample werd gebruikt in het nummer Nur mir van Sabrina Setlur en daarin voortdurend herhaald. De zaak kent een lange voorgeschiedenis. Nadat het Bundesgerichtshof eerder prejudiciële vragen had gesteld over de rechten van fonogrammenproducenten [IEF 18613], legde het in 2023 opnieuw vragen voor aan het Hof van Justitie [IEF 21672], ditmaal over de uitleg van het begrip ‘pastiche’ in artikel 5 lid 3 onder k van Richtlijn 2001/29/EG. Het Hof beantwoordde die vragen op 14 april 2026 [IEF 23472]. Het Bundesgerichtshof oordeelt nu dat de overname van de ritmische sequentie weliswaar een ingreep vormt in de reproductierechten van de fonogrammenproducenten en uitvoerende kunstenaars en in de reproductie- en distributierechten van de auteur, maar dat het gebruik vanaf 7 juni 2021 onder de Duitse pastiche-exceptie van § 51a UrhG valt.

IEFBE 4288

HvJ EU: socialmediapost kan auteursrechtelijk beschermd werk zijn; algemeen verbod op commercieel voordeel bij actualiteitsverslaggeving niet toegestaan

HvJ EU - CJUE 3 sep 2026,, IEFBE 4288; ECLI:EU:C:2026:682 (CY tegen Gândul Media Network SRL en HO), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-socialmediapost-kan-auteursrechtelijk-beschermd-werk-zijn-algemeen-verbod-op-commercieel-voordeel-bij-actualiteitsverslaggeving-niet-toegestaan

HvJ EU 3 september 2026, IEF 23795; IT 5499; IEFbe 4288; ECLI:EU:C:2026:682 (CY tegen Gândul Media Network SRL en HO). CY, een Roemeense lerares, publiceert op Facebook een tekst van 22 regels waarin zij ouders laat weten geen cadeaus te willen ontvangen bij de start van het schooljaar. Enkele dagen later neemt journalist HO de tekst integraal over in een artikel op de website van het online dagblad Gândul, zonder voorafgaande toestemming van CY. Volgens de verwijzingsbeslissing worden haar naam en een hyperlink naar de Facebookpagina pas later toegevoegd. Nadat de Roemeense rechters in eerste aanleg en hoger beroep oordelen dat de tekst niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt, vraagt de hoogste Roemeense rechter het Hof van Justitie om uitleg van artikel 2 onder a Richtlijn 2001/29. Het Hof oordeelt dat een tekst die op een sociaal netwerk is gepubliceerd en een mening over maatschappelijke praktijken bevat, onder het begrip ‘werk’ kan vallen wanneer hij een eigen intellectuele schepping vormt die de persoonlijkheid van de auteur weerspiegelt. De lengte van de tekst, de online publicatie en het al dan niet behoren tot een bepaald literair genre zijn daarbij op zichzelf niet relevant. Het is aan de nationale rechter om na te gaan of CY bij het schrijven van de tekst vrije en creatieve keuzes heeft gemaakt die in de tekst tot uitdrukking komen.

IEFBE 4271

Uitspraak ingezonden door Alexander Heirwegh en Dieter Delarue, Co & Delarue

La Mer-, Mirante- en Penida-meubels maken inbreuk of dreigen inbreuk te maken op model- en auteursrechten van Tribù

Brussel - Bruxelles(Fr./Nl.) 6 aug 2026,, IEFBE 4271; (Tribù tegen [verweersters]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/la-mer-mirante-en-penida-meubels-maken-inbreuk-of-dreigen-inbreuk-te-maken-op-model-en-auteursrechten-van-tribu

Ondernemingsrechtbank Brussel 22 juli 2026, IEF 23735; IEFbe 4271; A/25/02427; A/25/03798 (Tribù tegen [verweersters]). In deze samengevoegde zaken stelt Tribù, een Belgische onderneming die actief is in het ontwerp, de productie en de commercialisering van outdoor designmeubilair, dat twee Griekse vennootschappen via een website en commerciële documentatie de La Mer plus sofa, La Mer sofa, La Mer plus lounge armchair, La Mer sunlounger, Mirante dining armchair en Penida armchair afbeelden en aanbieden. Volgens Tribù maken deze meubels inbreuk op vier ingeschreven Uniemodellen en een internationaal model dat in de Europese Unie bescherming geniet, alsmede op haar auteursrechten op de Tosca sofa, Tosca lounge chair, Tosca lounger, Amanu dining chair en Suro armchair. Tribù vordert onder meer vaststelling en staking van de modelrechtelijke en auteursrechtelijke inbreuken, oplegging van een dwangsom en verstrekking van informatie over de herkomst en verhandeling van de aangevochten meubels. Verweersters betwisten onder meer de internationale bevoegdheid van de Belgische rechter, de geldigheid en beschermingsomvang van de ingeroepen modellen, de auteursrechtelijke bescherming, de gestelde inbreuken en het procesbelang van Tribù ten aanzien van enkele inmiddels offline gehaalde meubels. Zij beroepen zich voor de La Mer sunlounger tevens op een verklaring uit 2019. In reconventie vorderen zij nietigverklaring van de modelregistraties, staking van een beweerdelijk misleidende marktpraktijk door Tribù en schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding.

IEFBE 4263

A-G Szpunar: persuitgevers kunnen in twee hoedanigheden recht hebben op billijke compensatie

HvJ EU - CJUE 16 jul 2026,, IEFBE 4263; ECLI:EU:C:2026:607 (AGECOP tegen VISAPRESS), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/a-g-szpunar-persuitgevers-kunnen-in-twee-hoedanigheden-recht-hebben-op-billijke-compensatie

Conclusie AG HvJ EU 16 juli 2026, IEF 23700; IEFbe 4263; ECLI:EU:C:2026:607(AGECOP/VISAPRESS). De zaak betreft de Portugese regeling voor de billijke compensatie wegens reprografische reproducties en reproducties voor privégebruik van literaire en grafische werken. Volgens deze regeling wordt de geïnde compensatie gelijkelijk verdeeld tussen organisaties die auteurs vertegenwoordigen en organisaties van uitgevers. VISAPRESS, een organisatie die persuitgevers vertegenwoordigt, stelde daarnaast aanspraak te hebben op een gedeelte van het voor auteurs bestemde aandeel. Persuitgevers zijn naar Portugees recht namelijk niet alleen houders van naburige rechten op perspublicaties, maar ook van oorspronkelijke auteursrechten op bepaalde publicaties en van afgeleide auteursrechten op artikelen die zonder naamsvermelding zijn gepubliceerd. De Portugese hoogste rechter vraagt in wezen of artikel 5, lid 2, onder a en b, van Richtlijn 2001/29, gelezen in samenhang met artikel 16, eerste alinea, van Richtlijn 2019/790, toestaat dat persuitgevers zowel in hun hoedanigheid van uitgever als in hun hoedanigheid van auteursrechthebbende aanspraak maken op billijke compensatie.

IEFBE 4260

Rechtbank Frankfurt verduidelijkt wanneer AI-gegenereerde afbeeldingen auteursrechtinbreuk opleveren


Generatieve AI maakt het eenvoudig om bestaande foto's als uitgangspunt te nemen voor nieuwe afbeeldingen. Daarmee rijst een fundamentele vraag: wanneer levert een met AI gegenereerde afbeelding een auteursrechtelijke bewerking van de oorspronkelijke foto op? En wanneer is de afstand tot het origineel zo groot geworden dat van auteursrechtinbreuk geen sprake meer is?

Nadat het Hof Düsseldorf eerder dit jaar oordeelde dat een AI-afbeelding van een hond onder water geen inbreuk opleverde omdat alleen het onbeschermde motief was overgenomen, komt ook de Rechtbank Frankfurt tot een vergelijkbaar oordeel. In haar uitspraak van 27 mei 2026 bevestigt zij dat het gebruik van AI geen afwijkend toetsingskader vereist: doorslaggevend blijft de vraag of wel of geen beschermde creatieve trekken zijn overgenomen. Wel kan het gebruik van AI bewijsrechtelijke vragen oproepen, met name hoe kan worden aangetoond dat een beschermde afbeelding daadwerkelijk als input voor een AI-systeem is gebruikt. Daarbij wordt uitdrukkelijk niet ingegaan op de vraag of die invoering op zichzelf een auteursrechtelijk relevante handeling oplevert.

Dit is een preview. Het volledige artikel is nu beschikbaar op www.AI-Forum.nl.

IEFBE 4254

HvJ EU: state-of-the-art geoblocking voorkomt een mededeling aan het publiek in een lidstaat waar het werk nog beschermd is

HvJ EU - CJUE 9 jul 2026,, IEFBE 4254; ECLI:EU:C:2026:559 (Anne Frank Fonds tegen Anne Frank Stichting, Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, Vereniging voor Onderzoek en Ontsluiting van Historische Teksten), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-state-of-the-art-geoblocking-voorkomt-een-mededeling-aan-het-publiek-in-een-lidstaat-waar-het-werk-nog-beschermd-is

HvJ EU 9 juli 2026, IEF 23680; IEFbe 4254; ECLI:EU:C:2026:559 (Anne Frank Fonds tegen Anne Frank Stichting, Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, Vereniging voor Onderzoek en Ontsluiting van Historische Teksten). In het kader van een gezamenlijk initiatief van de Anne Frank Stichting, de KNAW en de Vereniging voor Onderzoek en Ontsluiting van Historische Teksten werd via een Belgische website een kosteloos toegankelijke wetenschappelijke editie van de manuscripten van Anne Frank aangeboden. De werken behoren in onder meer België tot het publieke domein, maar zijn in Nederland gedeeltelijk nog tot 2037 auteursrechtelijk beschermd. De toegang vanuit Nederland werd daarom met geoblocking geblokkeerd. Het Hof oordeelt dat in Nederland geen mededeling aan het publiek in de zin van artikel 3 lid 1 van Richtlijn 2001/29 plaatsvindt wanneer die geoblocking een doeltreffende technische voorziening in de zin van artikel 6 lid 3 vormt. In deze context is daarvan sprake wanneer de geoblocking state-of-the-art is. De doeltreffendheid hoeft niet absoluut te zijn: de enkele mogelijkheid dat individuele gebruikers de blokkade met een VPN of vergelijkbare dienst omzeilen, maakt haar niet ondoeltreffend. Bij de beoordeling moet onder meer rekening worden gehouden met de geschiktheid en evenredigheid van de maatregel, de stand van de techniek, de technische en praktische uitvoerbaarheid, de kosten en de mogelijkheden tot omzeiling. Een aanvullende verklaring waarin de gebruiker bevestigt zich in een publiekdomeinland te bevinden, is niet doeltreffend omdat zij uitsluitend afhankelijk is van de bereidheid van de gebruiker om naar waarheid te antwoorden. De conclusie van A-G Rantos van 15 januari 2026 is gepubliceerd op IE-Forum onder [IEF 23216].

IEFBE 4249

Kan AI het auteursrecht juist redden? Een nieuwe visie op licenties in het AI-tijdperk


Mogen ontwikkelaars van generatieve AI auteursrechtelijk beschermde werken gebruiken voor de training van hun modellen? En zo ja, onder welke voorwaarden? De discussie wordt al langere tijd gevoerd, maar juridische duidelijkheid laat nog op zich wachten. Ondertussen speelt een interessante vervolgvraag: hoe ziet een werkbaar licentiesysteem eruit, ervan uitgaande dat toestemming en/of compensatie van de rechthebbende is vereist?

In deze bijdrage wordt die vervolgvraag belicht. Niet het voor de hand liggende scenario van collectief beheer, maar het meer experimentele concept waarin AI-agenten namens individuele makers licenties onderhandelen en beheren. Kan AI, de technologie die het huidige auteursrecht onder druk zet, uiteindelijk ook bijdragen aan een efficiëntere uitoefening daarvan?

Dit is een preview. Het volledige artikel is nu beschikbaar op www.AI-Forum.nl.

IEFBE 4238

Artikel door Daniël de Weerd, Brinkhof.

De vibe coder maakt genoeg creatieve keuzes voor bescherming van zijn werk

Artikel door Daniël de Weerd. Oorspronkelijk verschenen in AI-Forum 2026-2.

Software is traditioneel kennis- en arbeidsintensief om te maken en wordt daarom door het auteursrecht beschermd. Auteursrechtelijke bescherming veronderstelt echter een menselijke maker. Nu steeds meer regels broncode niet meer door een mens, maar door een AI-model in opdracht van een mens worden geschreven (“vibe coding”), roept dat de vraag op in hoeverre deze bescherming nog mogelijk en zinvol is. In deze korte bijdrage betoog ik dat die bescherming mogelijk en zinvol blijft, omdat ook de vibe coder meer dan genoeg “vrije en creatieve keuzes” maakt die het Hof van Justitie vereist.

Dit is een preview. Het volledige artikel is nu beschikbaar op www.AI-Forum.nl

IEFBE 4237

Noot geschreven door Allard Ringnalda, Klos

Annotatie Mio & USM

Nr. 3 Hof van Justitite van de EU 4 december 2025
IEF 23142; ECLI:EU:C:2025:941


(Mio AB e.a./Galleri Mikael & Thomas Asplund Aktiebolag en Konektra GmbH & LN/USM U. Schärer Sohne AG)


(F. Biltgen, T. von Danwitz, I. Ziemele, A. Kumin en S. Gervasoni)


Samenvatting
Art. 2, 3 en 4 Rl. 2001/29 (Auteursrichtlijn, art. 10 en 13 Aw)

Er bestaat geen regel-uitzondering-relatie tussen modelrechtelijke bescherming enauteursrechtelijke bescherming in die zin dat bij het onderzoek van de oorspronkelijkheid vanvoorwerpen van toegepaste kunst hogere eisen moeten worden gesteld dan die welke gelden voor- andere soorten werken. Onder een werk in de zin van art. 2, 3 en 4 van Richtlijn 2001/29 (Auteursrechtrichtlijn) wordt een voorwerp verstaan dat de persoonlijkheid van de auteur ervanweerspiegelt door uitdruk- king te geven aan de vrije en creatieve keuzen van die auteur. Niet vrij encreatief zijn niet alleen keuzen die zijn ingegeven door verschillende – met name technische – beperkingen waaraan de auteur gebonden is tijdens het creëren van dat voorwerp, maar ookkeuzen die weliswaar vrij zijn maar niet de persoonlijkheid van de auteur weerspiegelen door aanhet voorwerp een uniek aspect te geven. Omstandigheden zoals de bedoelingen van die auteurtijdens het scheppingsproces, zijn inspiratie-bronnen, het gebruik van reeds beschikbare vormen, demogelijkheid dat gelijkaardige voorwerpen onafhankelijk worden gecreëerd of de erkenning vandat voorwerp in de vakkringen, kunnen in voorkomend geval in aanmerking worden genomen,maar zijn in elk geval noch noodzakelijk noch doorslaggevend om de oorspronkelijkheid van het voorwerp waarvoor aanspraak op bescherming wordt gemaakt vast te stellen. Om een inbreuk ophet auteursrecht vast te stellen, dient te worden bepaald of creatieve elementen van het beschermdewerk op een herkenbare manier zijn overgenomen in het vermeend inbreuk-makende voorwerp.Het feit dat dezelfde algemene visuele indruk wordt gewekt door de twee conflicterendevoorwerpen en de mate van oorspronkelijkheid van het betrokken werk zijn irrelevant. Hetmogelijke bestaan van een gelijkaardig voorwerp kan niet rechtvaardigen dat bescherming wordt geweigerd.