Verval van Benelux-beeldmerk "KIF Radio" wegens ontbreken van normaal gebruik
BenGH 18 maart 2026, IEF 23561; IEFbe 4221; C 2024/18 ([verzoeker] tegen [verweerster]). In deze zaak staat de vraag centraal of een Benelux-beeldmerk voor “KIF Radio” vervallen kan worden verklaard wegens het ontbreken van normaal gebruik. Het Benelux-Gerechtshof bevestigt de beslissing van het BBIE en oordeelt dat daarvan sprake is. Het enkele gebruik van tekens waarin het woordelement “KIF” voorkomt, volstaat in dit geval niet als gebruik van het ingeschreven merk. [verzoeker] is houder van een semi-figuratief merk voor onder meer telecommunicatie- en culturele diensten. Mediazone heeft bij het BBIE een vordering tot doorhaling ingesteld, stellende dat het merk tijdens een periode van vijf jaar niet normaal is gebruikt. Het BBIE heeft die vordering toegewezen en het merk vervallen verklaard. In beroep voert [verzoeker] aan dat wel degelijk sprake is van gebruik, omdat Mediazone het teken “KIF” en varianten daarvan heeft gebruikt voor radio-uitzendingen, naar zijn zeggen met zijn toestemming en dus op basis van een licentie. Het Hof stelt voorop dat van normaal gebruik sprake is wanneer het merk daadwerkelijk wordt gebruikt overeenkomstig zijn wezenlijke functie, namelijk het waarborgen van de herkomst van de betrokken diensten, met het oog op het verkrijgen of behouden van afzet. Symbolisch gebruik is onvoldoende. Ook gebruik in een afwijkende vorm kan relevant zijn, mits het onderscheidend vermogen van het merk in de ingeschreven vorm niet wordt gewijzigd. Vaststaat dat Mediazone vanaf 2019 radioactiviteiten verricht onder tekens waarin het woordelement “KIF” voorkomt. Volgens [verzoeker] moet dit worden aangemerkt als gebruik van het merk, omdat het onderscheidend vermogen wordt gedragen door het woordelement en de grafische verschillen ondergeschikt zijn. Het Hof volgt dat betoog niet. Het stelt vast dat de door Mediazone gebruikte tekens op essentiële punten afwijken van het ingeschreven beeldmerk, onder meer wat betreft lettertype, vormgeving van de letters, compositie en de vorm van de achtergrond. Hoewel er overeenkomsten bestaan, zijn de verschillen te groot en te opvallend om als verwaarloosbaar te worden beschouwd. Daarmee kan niet worden gesproken van gebruik van het merk in een vorm die het onderscheidend vermogen onverlet laat.
Volg deLex op LinkedIn
Volg onze LinkedIn-pagina’s om volledig op de hoogte te blijven van alles wat binnen ons vakgebied én bij onze activiteiten speelt.
Via de LinkedIn-pagina Uitgeverij deLex blijft u op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van IE-, IT- en privacyrecht. Via deze pagina ontvangt u vakinhoudelijke updates over onder meer IE-, IT-, privacy- en mediarecht, inclusief nieuws rond publicaties, jurisprudentie en relevante ontwikkelingen voor de praktijk.
Via de LinkedIn-pagina IE-Forum volgt u actuele ontwikkelingen binnen het intellectuele-eigendomsrecht, waaronder rechtspraak, wetgeving, beleidsontwikkelingen en relevante signaleringen uit de IE-praktijk. Daarnaast vindt u hier bijdragen, nieuwsberichten en updates die van direct belang zijn voor professionals die het IE-recht op de voet volgen.
Op de LinkedIn-pagina deLex Media informeren wij u over nieuwe en actuele cursussen en congressen, recente en aankomende publicaties, en overige vakinhoudelijke activiteiten die voor uw praktijk van belang kunnen zijn. Daarnaast bieden wij een professioneel overzicht van onze evenementen en initiatieven, met tijdige aankondigingen zodat u relevante opleidings- en netwerkgelegenheden niet mist.
Bezoek onze pagina’s en kies voor ‘Volgen’ om onze berichten rechtstreeks in uw tijdlijn te ontvangen en onderdeel te worden van ons netwerk.
HvJ EU geeft duidelijkheid over vergoeding voor nieuwscontent op platforms
HvJ EU 12 mei 2026, IEF23546; ECLI:EU:C:2026:395 (Meta Platforms Ireland Ltd tegen Autorità per le Garanzie nelle Comunicazioni). In deze zaak draait het om de uitleg van artikel 15 DSM-richtlijn. De zaak speelt tussen Meta Platforms Ireland en de Italiaanse communicatieautoriteit AGCOM. Centraal staat een Italiaanse regeling die persuitgevers exclusieve rechten geeft op online gebruik van hun perspublicaties door online platforms. De regeling bepaalt daarnaast dat uitgevers aanspraak kunnen maken op een billijke vergoeding en legt verschillende verplichtingen op aan platforms. Meta maakte bezwaar tegen een besluit van AGCOM waarin criteria waren vastgesteld voor de berekening van die vergoeding. Volgens Meta geeft artikel 15 DSM-richtlijn persuitgevers uitsluitend exclusieve rechten, zoals reproductie en beschikbaarstelling, en geen zelfstandig vergoedingsrecht. Ook zou de Italiaanse regeling te ver ingrijpen in de contractsvrijheid en ondernemingsvrijheid van platforms, onder meer doordat zij verplicht worden te onderhandelen, gegevens te delen en de zichtbaarheid van perscontent tijdens onderhandelingen niet te beperken. Meta beriep zich daarnaast op strijd met verschillende bepalingen van Unierecht, waaronder artikel 109 en 119 VWEU en de e-commercerichtlijn. Het Hof heeft die onderdelen echter niet inhoudelijk beoordeeld, maar de betreffende prejudiciële vragen niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet relevant waren voor de beslechting van het hoofdgeding. Het Hof stelt voorop dat artikel 15 DSM-richtlijn persuitgevers exclusieve rechten verleent om online gebruik van hun perspublicaties toe te staan of te verbieden. De inhoud van die rechten volgt uit Richtlijn 2001/29. Lidstaten mogen deze exclusieve rechten niet vervangen door een louter vergoedingsrecht. Tegelijkertijd sluit artikel 15 DSM-richtlijn niet uit dat toestemming voor gebruik wordt gekoppeld aan betaling van een vergoeding, zolang het exclusieve karakter van het recht behouden blijft. Dat betekent dat persuitgevers toestemming moeten kunnen weigeren en hun rechten ook kosteloos moeten kunnen licentiëren, bijvoorbeeld via royaltyvrije licenties. Platforms mogen bovendien niet verplicht worden een vergoeding te betalen wanneer zij de publicaties niet gebruiken of niet willen gebruiken. Volgens het Hof mogen lidstaten regels vaststellen die het gebruik van deze rechten structureren, mits die regels de exclusieve rechten niet uithollen en aansluiten bij de doelstellingen van de DSM-richtlijn, waaronder een hoog beschermingsniveau en een sterkere onderhandelingspositie voor persuitgevers.
Verwarringsgevaar tussen proGlan en PRO PLAN
Gerecht EU 6 mei 2026, IEF 23534, IEFbe 4219; ECLI:EU:T:2026:315 (Ecuphar tegen EUIPO en Société des produits Nestlé SA). In T-291/25 bevestigt het Gerecht de weigering van de Uniemerkaanvraag voor het figuratieve teken proGlan, aangevraagd voor “medicines for anal gland function for veterinary use” in klasse 5. Nestlé had oppositie ingesteld op basis van haar oudere internationale registratie met werking in de EU voor het woordmerk PRO PLAN, geregistreerd voor “nutritional supplements for veterinary use” en “nutritional supplements for animal consumption” in klasse 5. De oppositie was gebaseerd op artikel 8 lid 1 onder b UMVo. Het Gerecht verklaart allereerst dat het niet bevoegd is om zelf registratie van het aangevraagde merk toe te staan en dat het beroep tegen de beslissing van de oppositieafdeling niet-ontvankelijk is, omdat bij het Gerecht alleen beslissingen van de Kamers van Beroep kunnen worden aangevochten. Inhoudelijk bevestigt het Gerecht dat het relevante publiek bestaat uit zowel het algemene publiek, zoals huisdiereigenaren, als professionals, zoals dierenartsen, binnen de Europese Unie. Professionals hebben doorgaans een hoog aandachtsniveau en ook het algemene publiek heeft een hoger dan gemiddeld aandachtsniveau, omdat de betrokken waren de gezondheid en het welzijn van dieren kunnen beïnvloeden. Dat verhoogde aandachtsniveau sluit verwarringsgevaar echter niet uit.
Verwarringsgevaar tussen alma FARMACIE en ALMA HYBRID
Gerecht EU 6 mei 2026, IEF 23533; IEFbe 4218; ECLI:EU:T:2026:317 (Pharma Green Holding SpA SB tegen EUIPO en Alma Lasers Ltd). In T-480/25 bevestigt het Gerecht de weigering van de Uniemerkaanvraag voor het figuratieve teken alma FARMACIE, aangevraagd voor onder meer cosmetica, farmaceutische producten, voedingssupplementen en farmaceutische/medische diensten in de klassen 3, 5 en 44. Alma Lasers had daartegen oppositie ingesteld op grond van haar oudere internationale registratie met werking in de EU voor het woordmerk ALMA HYBRID, geregistreerd voor onder meer medische lasers, medische diensten en hygiëne- en schoonheidsverzorging. De oppositie was gebaseerd op artikel 8 lid 1 onder b UMVo. Het Gerecht oordeelt dat de Kamer van Beroep haar beoordeling mocht beperken tot het Spaans- en Portugeestalige publiek, omdat voor weigering van een Uniemerk voldoende is dat verwarringsgevaar bestaat in een deel van de Unie. Voor cosmetica en schoonheidsverzorging geldt een gemiddeld aandachtsniveau, terwijl voor farmaceutische producten, voedingssupplementen en medische of farmaceutische diensten een hoog aandachtsniveau kan gelden vanwege het verband met gezondheid. Dat hogere aandachtsniveau sluit verwarringsgevaar echter niet uit, omdat ook oplettende consumenten merken meestal niet rechtstreeks vergelijken en moeten afgaan op hun onvolmaakte herinnering.
Actualiteiten Privacyrecht op woensdag 24 juni 2026
Op woensdag 24 juni 2026 organiseren we vanaf 15.00 uur Actualiteiten Privacyrecht.
Tijdens deze middag nemen Quinten Kroes (Brinkhof) en Vita Zwaan (Rubicon Impact & Litigation) u mee in de ontwikkelingen en rechtspraak op het gebied van privacyrecht. In slechts twee uur tijd krijgt u een helder en actueel overzicht van relevante rechtspraak.
Tot 1 juni 2026 geldt een kortingsactie: meld u voor deze datum aan en ontvang €50 vroegboekkorting.
HvJEU: Vaste staatsinkomsten uit frequentievergoedingen toegestaan, mits niet boven marktwaarde
HvJ EU 5 maart 2026, IT 5248; IEFbe 4210; ECLI:EU:C:2026:156 ( Elettronica Industriale SpA tegen Ministero delle Imprese e del Made in Italy). In deze prejudiciële zaak staat de vraag centraal of lidstaten bij het vaststellen van vergoedingen voor het gebruik van digitale televisiefrequenties rekening mogen houden met vooraf vastgestelde begrotingsdoelstellingen. Aanleiding vormt een Italiaans stelsel waarbij de hoogte van de vergoedingen mede wordt bepaald door een wettelijk vastgelegd minimum aan jaarlijkse inkomsten voor de staatsbegroting. Een netwerkexploitant betwistte de geldigheid van deze regeling, omdat zij zou neerkomen op een zuiver fiscale heffing die niet verenigbaar is met het Unierechtelijke kader voor elektronische communicatie.
Gerecht EU: promotiebrochure kan bewijs leveren van openbaarmaking ouder model
Gerecht EU 29 april 2026, IEF 23524; IEFbe 4214; ECLI:EU:T:2026:301 (Doors Bulgaria EOOD tegen EUIPO, Top Ten EOOD). In zaak T-579/25 bevestigt het Gerecht de beslissing van de Derde Kamer van Beroep van het EUIPO in een nietigheidsprocedure over een ingeschreven Uniemodel voor deuren van Doors Bulgaria. Het betwiste model was aangevraagd in 2013 en ingeschreven voor waren in klasse 25.02 van de Locarno-classificatie. Top Ten had in 2023 om nietigverklaring verzocht op grond van artikel 25 lid 1 onder b van Verordening (EG) nr. 6/2002, gelezen in samenhang met de vereisten van nieuwheid en eigen karakter uit de artikelen 4, 5 en 6 van die verordening. Ter onderbouwing beriep Top Ten zich onder meer op een promotiebrochure uit 2010 waarin een vergelijkbaar deurontwerp was afgebeeld. De nietigheidsafdeling verklaarde het model nietig wegens gebrek aan eigen karakter. De Kamer van Beroep bevestigde die beslissing en oordeelde dat de brochure voldoende bewijs vormde dat het oudere model vóór de relevante datum aan het publiek beschikbaar was gesteld in de zin van artikel 7 lid 1 van de verordening. Ten overvloede oordeelde zij dat de betrokken modellen bij de geïnformeerde gebruiker dezelfde algemene indruk wekten.
Gerecht EU: woordmerk '5 Coins' mist onderscheidend vermogen voor spel- en gokgerelateerde producten en diensten
Gerecht EU 29 april 2026, IEF 23523; IEFbe 4213; ECLI:EU:T:2026:298 (Wazdan Innovations tegen EUIPO). Dit arrest betreft een beroep van Wazdan Innovations Ltd. tot vernietiging van de beslissing van de Vierde Kamer van Beroep van het EUIPO van 10 december 2024, waarbij de inschrijving van het woordmerk "5 Coins" werd geweigerd. De aanvraag was op 21 augustus 2023 ingediend door Wazdan Holding Ltd. voor producten en diensten in de klassen 9, 28, 35, 41 en 42 (Nice-classificatie), waaronder spelletjessoftware, elektronische spelen, loyaliteitsprogramma's, casino- en gokdiensten en softwareontwikkeling. De examinator had de aanvraag bij beslissing van 11 maart 2024 gedeeltelijk afgewezen op grond van zowel art. 7 lid 1 onder b) als onder c) UMVo. Na een door Wazdan doorgevoerde beperking van de lijst van producten en diensten bevestigde de Kamer van Beroep de weigering, maar uitsluitend op grond van het ontbreken van onderscheidend vermogen ex art. 7 lid 1 onder b) UMVo (Verordening (EU) 2017/1001), waarbij zij het beschrijvende karakter ex art. 7 lid 1 onder c) UMVo uitdrukkelijk buiten beschouwing liet. Een beperkt aantal categorieën, waaronder organisatie van sportevenementen, culturele activiteiten en ontwerp van onlinespellen, werd wel toegelaten. Wazdan stelde drie middelen aan: (1) schending van art. 7 lid 1 onder b) UMVo wegens onjuiste kwalificatie als "quasi-beschrijvend" teken en onjuiste toepassing, (2) schending van de beginselen van gelijke behandeling, behoorlijk bestuur en gewettigd vertrouwen wegens afwijking van eerdere EUIPO-beslissingen over vergelijkbare merken, en (3) motiveringsgebrek ex art. 94 lid 1 UMVo jo. art. 296 tweede alinea VWEU. Het Gerecht wees het primaire verzoek tot hervorming, strekkend tot inschrijving van het merk, af wegens onbevoegdheid: het EUIPO neemt geen formeel inschrijvingsbesluit dat vatbaar is voor beroep, en het Gerecht kan in het kader van zijn hervormingsbevoegdheid ex art. 72 lid 3 UMVo niet in de plaats treden van het EUIPO om een inschrijving te bevelen.
Online update: Fictief makerschap op woensdag 20 mei
Woensdag 20 mei neemt Peter Teunissen (Radboud Universiteit) u opnieuw mee in het fictief makerschap. Dit keer bespreekt hij het advies van de Commissie Auteursrecht over de impact van het ONB-arrest op fictief makerschap. Samen met u loopt hij door het advies heen en bespreekt wat erin staat en waarom het advies op die manier is ingericht. Hij bespreekt de drie scenario's en aandachtspunten. Hierbij is zeker ruimte voor vragen. Daarnaast gaat hij kort in op het makerschap in Europa.
Meer weten of aanmelden?



















