IEFBE 4107
17 februari 2026
Artikel

Consumentenrecht in de digitale sector op donderdag 2 april 2026: tot 1 maart met vroegboekkorting

 
IEFBE 4109
17 februari 2026
Uitspraak

HvJ EU over art. 102 VWEU: Onbillijke licentievoorwaarden van collectieve beheersorganisatie bij hotelvergoedingen

 
IEFBE 4108
17 februari 2026
Uitspraak

Politieke satire en reputatiebescherming: EHRM over de grenzen van art. 10 EVRM

 
IEFBE 4107

Consumentenrecht in de digitale sector op donderdag 2 april 2026: tot 1 maart met vroegboekkorting

Tegenwoordig bestellen we (bijna) alles via internet. Iedereen die dat wel eens heeft gedaan, kent de kortingsacties die gegeven worden. Van een countdown-timer tot een rad van fortuin: platforms zetten alles in om consumenten te laten klikken en kopen. De digitale wereld is voor consumenten hierdoor niet altijd overzichtelijk. Ook voor juristen is niet alles helder, vooral op de grijze gebieden. Via deceptive interface design ontstaat er een oneerlijke handelspraktijk. Wat betekent dit voor consumenten, retailers, e-tailers, platforms en influencers als dit wordt vastgesteld? 

Tijdens ons seminar over consumentenrecht in de digitale sector bespreken we deze onderwerpen. We gaan in op de (omgekeerde) bewijslast in het eerste jaar, op slimme verzekeringen, garanties en andere zogenoemde dark patterns. Wanneer beschermt het consumentenrecht echt, wanneer zit je in het reclamerecht en wanneer blijkt het toch vooral een sigaar uit eigen doos? Tot slot bespreken we de nieuwste EDPB-richtlijnen over de wisselwerking tussen GDPR en DSA, en wat die concreet betekenen voor de praktijk. 

IEFBE 4109

HvJ EU over art. 102 VWEU: Onbillijke licentievoorwaarden van collectieve beheersorganisatie bij hotelvergoedingen

HvJ EU - CJUE 18 dec 2025, IEFBE 4109; ECLI:EU:C:2025:985 (OSA, z.s. tegen Úřad pro ochranu hospodářské soutěže), https://ie-forum.be/artikelen/hvj-eu-over-art-102-vweu-onbillijke-licentievoorwaarden-van-collectieve-beheersorganisatie-bij-hotelvergoedingen

HvJ EU 18 december 2025, IEF 23287; IEFbe 4109; ECLI:EU:C:2025:985 (OSA, z.s. tegen Úřad pro ochranu hospodářské soutěže). De zaak betreft de Tsjechische collectieve beheersorganisatie OSA, die auteursrechten exploiteert voor onder meer hotels en andere accommodaties met televisies op de kamers. De Tsjechische mededingingsautoriteit Úřad pro ochranu hospodářské soutěže (ÚOHS) stelde in 2019 vast dat OSA haar machtspositie misbruikte op de markt voor het verlenen van licenties aan dergelijke accommodatieverstrekkers. OSA hanteerde in haar standaardlicenties een minimumvergoeding die geen rekening hield met de werkelijke bezettingsgraad of het daadwerkelijke gebruik en was bovendien onvoldoende transparant over de berekeningswijze en aanpassingsmogelijkheden. Dit werd gekwalificeerd als het opleggen van onbillijke contractuele voorwaarden in de zin van artikel 102, onder a), VWEU. OSA kreeg een boete van 10 676 000 CZK en een gedragsverbod opgelegd. In beroep voerde OSA aan dat haar tarieven niet buitensporig waren en dat misbruik alleen via de toets voor excessieve prijzen (zoals ontwikkeld in onder meer United Brands, AKKA/LAA en SABAM) kon worden vastgesteld. De ÚOHS stelde daartegenover dat het zwaartepunt lag bij de onbillijkheid van de contractvoorwaarden, waardoor geen volledige excess-pricing-analyse vereist was.

IEFBE 4108

Politieke satire en reputatiebescherming: EHRM over de grenzen van art. 10 EVRM

EHRM - Cour eur. D.H. 13 jan 2026, IEFBE 4108; ECLI:CE:ECHR:2026:0113JUD004338817 (Mladina d.d. Ljubljana tegen Slovenia), https://ie-forum.be/artikelen/politieke-satire-en-reputatiebescherming-ehrm-over-de-grenzen-van-art-10-evrm

EHRM 13 januari 2026, IEF 23286; IEF 4108; ECLI:CE:ECHR:2026:0113JUD004338817 (Mladina d.d. Ljubljana v. Slovenia (No. 2)). In de zaak Mladina d.d. Ljubljana v. Slovenia (No. 2) stond de vraag centraal of de veroordeling van de uitgever van het Sloveense weekblad Mladina wegens een satirische publicatie in strijd was met artikel 10 EVRM (vrijheid van meningsuiting). De uitgever had in 2011 in de satirische rubriek “Mladinamit” een foto van de bekende Sloveense politicus B.G. met zijn gezin naast een foto van Joseph Goebbels met diens gezin geplaatst. De publicatie vond plaats tegen de achtergrond van een publiek debat waarin B.G. op sociale media met Goebbels was vergeleken. In hetzelfde nummer verscheen een redactioneel stuk waarin parallellen werden getrokken tussen de politieke methoden van B.G.’s partij en die van de nazi-propaganda. B.G. stelde dat de vergelijking, mede gezien de historische connotaties van Goebbels en diens betrokkenheid bij het naziregime, zijn eer en goede naam had aangetast en vorderde schadevergoeding, publicatie van het vonnis en een verontschuldiging. De uitgever voerde aan dat het ging om politieke satire gericht op B.G. als publiek figuur, dat de foto van zijn gezin op een openbare religieuze bijeenkomst was genomen en dat de vergelijking betrekking had op politieke methoden, niet op zijn privéleven of zijn gezin als zodanig. In eerste aanleg werd de vordering afgewezen, maar in hoger beroep werd geoordeeld dat met name de visuele vergelijking van de gezinsfoto’s een ontoelaatbare inbreuk vormde. Uiteindelijk werd de uitgever verplicht een verontschuldiging te publiceren en een (na matiging) schadevergoeding van € 3.000 te betalen. Het Sloveense Constitutionele Hof achtte de belangenafweging tussen de vrijheid van meningsuiting en het recht op reputatie correct uitgevoerd.

IEFBE 4106

Laatste week vroegboekkorting voor Duurzaamheid & Recht op 26 maart 2026

Steeds meer organisaties maken duurzaamheid tot kern van hun strategie. Maar wat betekent dat juridisch? Tijdens het congres Duurzaamheid & Recht gaan juristen, beleidsmakers en organisaties met elkaar in gesprek over de rol van duurzaamheid in het intellectuele eigendom- en reclamerecht. Onder leiding van onze dagvoorzitters, Jellien Roelofs (Lasting Legal) en Anne-Fleur Filemon (Hogeschool Leiden), bespreken we belangrijkste duurzaamheidsontwikkelingen en gaan we in op een paar interessante thema's.

Roos van der Poel (Greenpeace International) neemt ons mee in de praktijk bij Greenpeace International. Daarna gaat Edwin van der Velde (Simmons & Simmons) in op Alternatieven voor de vordering tot vernietiging en de proportionaliteit van andere IE-vorderingen. De actualiteiten worden zoals altijd besproken door Roelofs en Filmon.

Daarna geeft Tommi Palumbo (Autoriteit Consument & Markt) een update over het toezicht van de ACM op het gebied van duurzaamheid van het afgelopen jaar en geeft een blik op de toekomst. Hij zal stil staan bij relevante toezichtacties op het gebied van duurzaamheid en geeft inzicht in hoe de ACM het toezicht op de Richtlijn Empowering Consumers for the Green Transition verwacht te gaan inrichten en welke prioriteiten de ACM de komende tijd zal stellen. We sluiten af met een bijdrage van Claire van den Broek (True Price) die laat zien zien waar True Pricing vandaag de dag staat en hoe het zich ontwikkelt van concept naar concrete toepassingen.

Aanmelden met vroegboekkorting kan tot en met 15 februari aanstaande. 

IEFBE 4105

Normaal gebruik van het merk ZOOM in de Benelux

Benelux Gerechtshof - Cour Benelux 7 mei 2025, IEFBE 4105; C 2024/10 (Zoom Video Communications, Inc tegen Kabushiki Kaisha Zoom), https://ie-forum.be/artikelen/normaal-gebruik-van-het-merk-zoom-in-de-benelux

BenGH 7 mei 2025, IEF 23276; IEFbe 4105; C 2024/10 (Zoom Video Communications, Inc. tegen Kabushiki Kaisha Zoom). In deze zaak oordeelt het Benelux-Gerechtshof over een verzoek van Zoom Video Communications, Inc. tot vervallenverklaring wegens niet-gebruik van het oudere Benelux-woordmerk ZOOM, dat toebehoort aan Kabushiki Kaisha Zoom. Het geschil draait om de vraag of het merk in de periode 2016–2021 normaal is gebruikt voor de waren waarvoor het is ingeschreven in de klassen 9 en 15. Het Hof bevestigt het uitgangspunt dat van normaal gebruik sprake is wanneer het merk reëel commercieel wordt gebruikt om afzet te vinden of te behouden, waarbij een globale beoordeling plaatsvindt aan de hand van onder meer aard van de waren, marktkenmerken en omvang en frequentie van het gebruik. Bij ruime warenomschrijvingen moet worden onderzocht of zelfstandige subcategorieën kunnen worden onderscheiden op basis van doel en bestemming; alleen dan kan verval gedeeltelijk worden uitgesproken.

IEFBE 4104

Uitspraak ingezonden door Anthony van der Planken, CO & DELARUE

Toepassing Mio/Konektra op auteursrechtelijke bescherming van meubelontwerpen door ondernemingsrechtbank Brussel

Brussel - Bruxelles(Fr./Nl.) 29 jan 2026, IEFBE 4104; A/25/02084 (Gommaire nv tegen verwerende partij), https://ie-forum.be/artikelen/toepassing-mio-konektra-op-auteursrechtelijke-bescherming-van-meubelontwerpen-door-ondernemingsrechtbank-brussel

Ond.Rb Brussel 29 januari 2026, IEF 23273; IEFbe 4104; A/25/02084 (Gommaire nv tegen verwerende partij). De ondernemingsrechtbank Brussel behandelt een geschil tussen interieurmerk Gommaire en een internationale interieurspeler over vermeende kopieën van meubelontwerpen en oneerlijke marktpraktijken. Gommaire ontwerpt en verkoopt sinds 2015 diverse meubels (tafels, stoelen, zetels, bureau, modulaire sofa) en stelt dat meerdere modellen van de tegenpartij daar nagenoeg op aansluiten. Zij vraagt een stakingsbevel, dwangsommen en verregaande informatie over producenten, aantallen en prijzen; de tegenpartij vordert afwijzing én nietigverklaring van bepaalde Benelux‑modellen van Gommaire. De rechtbank maakt in haar beoordeling expliciet gebruik van het Mio/Konektra‑arrest van het Hof van Justitie (C‑580/23 en C‑795/23) van 4 december 2025. Zij benadrukt dat er geen hiërarchie bestaat tussen model‑ en auteursrecht en dat voor toegepaste kunst, zoals meubels, dezelfde originaliteitstoets geldt als voor andere werken: beschermd is de concrete uitdrukking van een eigen intellectuele schepping via vrije en creatieve keuzes die de persoonlijkheid van de maker weerspiegelen. Er is geen verhoogde drempel voor design, waardoor trends en stijlen niet beschermd zijn, maar een specifieke combinatie van vormen, verhoudingen en lijnen binnen zo’n trend wel auteursrechtelijke bescherming genieten. Voor de inbreuktoets neemt de rechtbank afstand van een benadering die louter focust op de totaalindruk. Doorslaggevend is of de creatieve elementen van het beschermde werk op herkenbare wijze zijn gereproduceerd in het betwiste meubel. Algemene stijlverwantschap volstaat niet, terwijl evenmin kan worden volstaan met het aanwijzen van enkele detailverschillen om een inbreuk uit te sluiten.

IEFBE 4103

Geen verwarringsgevaar tussen WelMedis en médis bij gezondheids- en schoonheidsdiensten

Gerecht EU - Tribunal UE 4 feb 2026, IEFBE 4103; ECLI:EU:T:2026:70 (Médis - Companhia portuguesa de seguros de saúde, S. A. tegen EUIPO en RGCC Holdings AG), https://ie-forum.be/artikelen/geen-verwarringsgevaar-tussen-welmedis-en-medis-bij-gezondheids-en-schoonheidsdiensten

Gerecht EU 4 februari 2026, IEF 23272; IEFbe 4103; ECLI:EU:T:2026:70 (Médis - Companhia portuguesa de seguros de saúde, S. A. tegen EUIPO en RGCC Holdings AG). Het Gerecht verwerpt het beroep van Médis – Companhia portuguesa de seguros de saúde tegen de beslissing van het EUIPO om de oppositie tegen het Uniemerk WelMedis af te wijzen (zaak T-142/25). De oppositie was gebaseerd op het oudere internationale beeldmerk médis en ingesteld op grond van artikel 8 lid 1 onder b UMVo wegens vermeend verwarringsgevaar. De aangevraagde WelMedis-inschrijving zag op cosmetica en schoonheidsdiensten (klassen 3 en 44), terwijl het oudere merk médis onder meer betrekking had op medische en gezondheidsgerelateerde producten en diensten (klassen 5, 41 en 44). Het EUIPO en de Kamer van Beroep hadden geoordeeld dat, hoewel sommige waren en diensten (beperkt) soortgelijk zijn, de verschillen tussen de tekens zodanig zijn dat geen sprake is van verwarringsgevaar. Het Gerecht bevestigt dit oordeel.

IEFBE 4100

EHRM over vrijheid van meningsuiting van rechters op sociale media

EHRM - Cour eur. D.H. 25 dec 2025, IEFBE 4100; 16915/21 (DANILEŢ tegen Roemenië), https://ie-forum.be/artikelen/ehrm-over-vrijheid-van-meningsuiting-van-rechters-op-sociale-media

EHRM 25 december 2025, IEF 23266; IT 5103; IEFbe 4100; 16915/21 (DANILEŢ tegen Roemenië). Deze zaak gaat over een klacht op grond van artikel 10 EVRM, ingediend door een Roemeense rechter, naar aanleiding van een disciplinaire sanctie wegens twee berichten die hij in januari 2019 op zijn openbare Facebookpagina had geplaatst. De verzoeker was op dat moment rechter bij het gerechtshof Cluj en genoot aanzienlijke publieke bekendheid, mede door eerdere functies binnen de rechterlijke macht en zijn actieve deelname aan maatschappelijke debatten over democratie, rechtsstaat en justitie. Op zijn Facebookpagina, die ongeveer 50.000 volgers telde, publiceerde hij twee berichten. Het eerste bericht ging over vermeende pogingen om kerninstituties van de staat (waaronder justitie, politie en leger) te ondermijnen en bevatte een retorische passage over de constitutionele rol van het leger bij het beschermen van de democratie. Het tweede bericht bestond uit een link naar een persartikel waarin een officier van justitie kritiek uitte op hervormingen binnen het strafrecht, met daarbij de tekst: “Now here’s a prosecutor with some blood in his veins (sânge în instalaţie), speaking his mind about dangerous prisoners being freed, our leaders’ bad ideas on legislative reform, and judges and prosecutors being ‘lynched’!” (Vertaald). De Judicial Inspection Board startte ambtshalve een onderzoek wegens mogelijk gedrag dat de eer en het imago van de rechterlijke macht zou aantasten, zoals bedoeld in artikel 99(a) van Wet nr. 303/2004. Na onderzoek werd de zaak voorgelegd aan de disciplinaire kamer van de Nationale Raad voor de Magistratuur, die oordeelde dat de verzoeker zijn plicht tot terughoudendheid had geschonden. Daarbij werd benadrukt dat zijn uitlatingen, mede gelet op hun vorm en publieke verspreiding, het vertrouwen in staatsinstellingen en de rechterlijke macht konden ondermijnen. Als sanctie werd een tijdelijke salarisverlaging van 5% voor twee maanden opgelegd. Het door de verzoeker ingestelde beroep werd door het Hoog Gerechtshof van Cassatie en Justitie verworpen. Dat hof oordeelde dat de beperking van zijn uitingsvrijheid wettelijk was voorzien, een legitiem doel diende (het beschermen van het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht) en proportioneel was. 

IEFBE 4099

Terugblik op het deLex Media IE-diner 2026

Vorige week donderdag 29 januari vond het deLex Media IE-Diner plaats in de kapel van Hotel Arena te Amsterdam. De avond begon om 18.00 uur met een receptie en een glas bubbels, muzikaal omlijst door IE-jurist Thomas Jonker, gevolgd door een driegangendiner waarbij vanaf 19.00 uur werd aangeschoven. Zoals vertrouwd leidde prof. mr. Bernt Hugenholtz, emeritus hoogleraar Intellectueel Eigendomsrecht en voormalig directeur van het IViR, de avond als ceremoniemeester.

Tijdens het diner werd inhoudelijke verdieping op aangename wijze gecombineerd met ontmoeting, mede dankzij bijdragen van Rian Kalden (rechter bij het Hof van Beroep van het Unified Patent Court en voorzitter van het tweede panel), Alexander Tsoutsanis (legal director bij DLA Piper en redacteur van Berichten Industriële Eigendom) en Sophie van Loon (partner IE & Media bij Kennedy Van der Laan en redacteur van Auteursrecht). Na afloop werd de avond voortgezet met een borrel op de Vide, begeleid door saxofonist Friso Bleeker. Het was een geslaagde bijeenkomst waarin het aankomende (congres)jaar feestelijk werd ingeluid en volop gelegenheid was om met IE-collega’s bij te praten en nieuwe contacten te leggen.

IEFBE 4098

Article written by Sarah Taylor, Pinsent Masons.

Expect patent litigation strategies to be shaped by the UPC in 2026

Article written by Sarah Taylor, Pinsent Masons

The Unified Patent Court (UPC) is at the forefront of international patent litigation choices at the start of what we expect will be another year of meaningful developments in its case law for businesses across sectors.

Below, we examine some of the major developments in UPC case law in 2025 and examine how the position might evolve further in 2026, focusing on three main areas: the expansion of the geographic scope of the UPC’s ruling; the litigation of ‘standard essential’ technology patents; and how pharmaceutical companies may be increasingly encouraged to assert or defend patent claims before the UPC.