Gerecht EU: verwarringsgevaar tussen Le SAC OUTLET en Lesac, behalve voor wandelstokken
Gerecht EU 4 november 2026, IEF 23992; IEFbe 4384; T-119/25 (Le Sac tegen EUIPO, Asunción). In deze zaak tussen Le Sac Srl en EUIPO staat de vraag centraal of het aangevraagde Uniebeeldmerk Le SAC OUTLET verwarringsgevaar oplevert met het oudere Spaanse beeldmerk Lesac. Le Sac heeft merkbescherming aangevraagd voor onder meer tassen, kleding, accessoires en detailhandelsdiensten in de klassen 18, 25 en 35. Felipe Domingo Asunción heeft hiertegen oppositie ingesteld op basis van twee oudere Spaanse beeldmerken. De oppositieafdeling van EUIPO heeft de oppositie gedeeltelijk toegewezen. De Kamer van Beroep heeft deze beslissing bevestigd, waarna Le Sac beroep heeft ingesteld bij het Gerecht. Het Gerecht stelt voorop dat bij de beoordeling van het verwarringsgevaar rekening moet worden gehouden met de overeenstemming tussen de merken en de betrokken waren en diensten. Volgens het Gerecht heeft de Kamer terecht vastgesteld dat de meeste betrokken waren en diensten identiek of in verschillende mate soortgelijk zijn. Dit geldt onder meer voor tassen, kledingaccessoires en de bijbehorende detailhandelsdiensten. Voor wandelstokken in klasse 18 geldt echter iets anders. Volgens het Gerecht verschillen wandelstokken en tassen in materiaal, functie en gebruiksdoel. Dat beide producten in dezelfde sportwinkel kunnen worden verkocht, maakt ze niet soortgelijk. Ook de detailhandelsdiensten met betrekking tot wandelstokken in klasse 35 zijn niet soortgelijk aan de betrokken waren van het oudere merk.
Gerecht EU: BMV profiteert ongerechtvaardigd van reputatie BMW-merk
Gerecht EU 4 november 2026, IEF 23991; IEFbe 4383; T-468/25 (Victron Energy tegen EUIPO, BMW). In deze zaak tussen Victron Energy en het EUIPO, met BMW als interveniënte, staat de vraag centraal of het aangevraagde Uniewoordmerk BMV ongerechtvaardigd voordeel trekt uit de reputatie van het oudere Uniewoordmerk BMW. Victron Energy heeft het merk BMV aangevraagd voor onder meer accumonitoren in klasse 9. BMW heeft hiertegen oppositie ingesteld op grond van artikel 8 lid 1 onder b en artikel 8 lid 5 UMVo. De oppositieafdeling van het EUIPO heeft de oppositie op grond van artikel 8 lid 5 UMVo toegewezen. Victron Energy komt op tegen de weigering van haar merkaanvraag.
Gerecht EU: verwarringsgevaar tussen EM | BLEU en BLUE voor elektronische producten aangenomen
Gerecht EU 4 november 2026, IEF 23990; IEFbe 4382; T-493/25 (EM Microelectronic-Marin tegen EUIPO, O2 Worldwide). In deze zaak tussen EM Microelectronic-Marin en EUIPO, met O2 Worldwide als interveniënte, staat de vraag centraal of het woordmerk EM | BLEU verwarringsgevaar oplevert met het oudere Duitse woordmerk BLUE. EM Microelectronic-Marin heeft merkbescherming aangevraagd voor EM | BLEU, onder meer voor elektronische componenten, microchips, software en andere producten in klasse 9. O2 Worldwide heeft hiertegen oppositie ingesteld op basis van haar oudere Duitse woordmerken BLUE, BLUE 1 en BLUE ONE. De oppositieafdeling van EUIPO wees de oppositie aanvankelijk af, maar de kamer van beroep oordeelde dat sprake was van verwarringsgevaar tussen EM | BLEU en BLUE en weigerde bescherming van het aangevraagde merk in de Europese Unie.
UPC CoA: laat ingediend hulpverzoek Barco terecht afgewezen
UPC CoA 16 oktober 2026, IEF 23986; IEFbe 4379; UPC-CoA-145/2026 (Barco tegen Yealink). In deze zaak tussen Barco en Yealink staat de vraag centraal of Barco tijdens een lopende octrooi-inbreukprocedure bij het UPC een aanvullend hulpverzoek tot wijziging van haar octrooi mag indienen. Barco heeft een inbreukprocedure ingesteld op basis van Europees octrooi EP 3 732 827, waarna Yealink een tegenvordering tot nietigverklaring van de ingeroepen octrooiconclusies heeft ingesteld. Parallel hieraan loopt een oppositieprocedure bij het Europees Octrooibureau (EOB). Tijdens die procedure heeft Barco een nieuw hulpverzoek ingediend, dat zij vervolgens ook in de UPC-procedure wil toelaten. De Lokale Divisie Brussel heeft dit verzoek afgewezen, waarna Barco hoger beroep heeft ingesteld.
Conclusie Szpunar: AI-chatbots kunnen inbreuk maken op persuitgeversrecht bij gebruik van nieuwsartikelen
HvJ EU Conlusie A-G Szpunar 3 november 2026, IEF 23984; IEFbe 4378; C-250/25 (Like Company tegen Google). Op 10 maart 2025 heeft de Hongaarse rechter vragen gesteld aan het HvJEU over het gebruik van perspublicaties door AI-bots [IEF 22771]. In deze zaak tussen de Hongaarse uitgever Like Company en Google staat de vraag centraal of het gebruik van nieuwsartikelen door AI-chatbots, zoals Google Gemini, inbreuk kan maken op het persuitgeversrecht van artikel 15 DSM-richtlijn. Like Company stelt dat Google zonder toestemming artikelen van haar nieuwswebsites heeft gebruikt voor het trainen van AI-modellen en voor het genereren van antwoorden op gebruikersvragen. De Hongaarse rechter heeft hierover vier prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. Advocaat-generaal Szpunar maakt in zijn conclusie onderscheid tussen het trainen van AI-modellen en het gebruik van nieuwsartikelen door chatbots via Retrieval-Augmented Generation (RAG). Volgens de A-G worden bij het trainen van AI-modellen reproducties van auteursrechtelijk beschermd materiaal gemaakt. Deze reproducties kunnen in beginsel onder de uitzondering voor tekst- en datamining van artikel 4 DSM-richtlijn vallen, mits aan de voorwaarden is voldaan en rechthebbenden het gebruik niet uitdrukkelijk hebben voorbehouden. De A-G adviseert het Hof echter om de prejudiciële vragen over AI-training niet-ontvankelijk te verklaren, omdat onvoldoende is aangetoond dat de artikelen van Like Company daadwerkelijk voor het trainen van Gemini zijn gebruikt. Bovendien valt AI-training volgens hem buiten het begrip onlinegebruik van perspublicaties in de zin van artikel 15 DSM-richtlijn.
UPC CoA: Geen tussentijdse zitting nodig als partijen daarvoor geen redenen aanvoeren
UPC CoA 7 oktober 2026, IEF 23973; IEFbe 4376; UPC-CoA-38/2026 (TCL Europe tegen Corning). In deze zaak tussen TCL Europe en Corning staat de vraag centraal of in een hogerberoepsprocedure bij het UPC een tussentijdse zitting (interim conference) moet worden gehouden. TCL heeft hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de centrale divisie München van 24 februari 2026 in een geschil over Europees octrooi EP 3 296 274. Daarbij heeft TCL op grond van Rules 239.1 en 101.1 van het RoP verzocht om een tussentijdse zitting.
UNION-IP ronde tafel: "Design protection in the digital age"
Vrijdag 13 november 2026, 11:00 – 16:00 uur
Hotel Jakarta, Javakade 766, Amsterdam
De Designs Commission en de Software Commission van UNION-IP organiseren samen een ronde tafel over modellenbescherming in het digitale tijdperk. Centraal staat wat de hervorming van het EU-modellenrecht en digitale technologieën betekenen voor modelrechten in de praktijk.
Panel 1 – Weergave van modellen na de recente wetswijzigingen
Nieuwe mogelijkheden en vormen van weergave, en ontwikkelingen in het Hague system voor internationale modellen. Met Grégoire Bisson (WIPO) en Gailė Sakalaitė-Orlovskienė (EUIPO).
Panel 2 – AI-tools en modeltekeningen
Het gebruik van AI en software bij het maken van modelweergaven, en het effect van de gekozen weergave op de beschermingsomvang. Met Virginia Driver (UNION-IP Software Commission) en Tony ter Horst (Lines, Curves and Pixels).
Panel 3 – Bescherming van apps en GUI's
Apps, GUI's en geanimeerde modellen, en strategieën voor depot en bescherming. Met Alva Hansson (AWA Sweden).
Elk panel biedt ruimte voor vragen en discussie. De dag sluit af met een borrel.
Deelname kost € 150 (UNION-IP-leden € 110), inclusief lunch en borrel.
Meer informatie en aanmelden: https://union-ip.org/events/union-ip-round-table-amsterdam/
UPC CoA: Geen gekwalificeerde elektronische handtekening vereist voor beroepschrift
UPC CoA 8 oktober 2026, IEF 23972; IEFbe 4375; UPC-CoA-73/2026 (Esko-Software, Esko-Graphics tegen In(k)control). In deze zaak tussen Esko-Software, Esko-Graphics en In(k)control staat de vraag centraal of een beroepschrift moet zijn voorzien van een gekwalificeerde of geavanceerde elektronische handtekening en of de procestaal op grond van artikel 49 lid 5 UPCA moet worden gewijzigd van het Nederlands naar het Engels. In(k)control had bij de lokale divisie Brussel van het UPC een inbreukprocedure aangespannen tegen Esko op basis van Europees octrooi EP 3 841 735. Esko verzocht om wijziging van de procestaal naar het Engels, onder meer omdat het octrooi in het Engels was verleend, partijen in het Engels communiceerden en een groot deel van de processtukken Engelstalig was. De voorzitter van Court of First Instance wees dit verzoek af, waarna Esko hoger beroep instelde. In(k)control stelde vervolgens de geldigheid van het beroepschrift ter discussie, omdat dit niet was voorzien van een gekwalificeerde of geavanceerde elektronische handtekening.
UPC CoA: Intrekking hoger beroep na schikking leidt tot terugbetaling van 50% van het griffierecht
UPC CoA 9 oktober 2026, IEF 23971; IEFbe 4374; UPC-CoA-77/2026 en UPC-CoA-78/2026 (Beko/Dolby). In deze zaak tussen Beko en Dolby staat de vraag centraal onder welke voorwaarden een inbreukvordering en een reconventionele nietigheidsvordering tijdens de hogerberoepsprocedure kunnen worden ingetrokken en of daarbij aanspraak bestaat op gedeeltelijke terugbetaling van het griffierecht. Dolby had bij de lokale divisie Düsseldorf van het UPC een inbreukprocedure aangespannen tegen Beko wegens vermeende inbreuk op Europees octrooi EP 3 605 534. De lokale divisie wees de inbreukvordering toe, wees de reconventionele nietigheidsvordering van Beko af en veroordeelde Beko in de proceskosten. Beko stelde hiertegen hoger beroep in. Tijdens de hogerberoepsprocedure bereikten partijen een schikking, waarna zij hun vorderingen wilden intrekken.
UPC CoA: Onjuiste of onvolledige rechtsmiddelenvoorlichting rechtvaardigt geen herstel van beroepstermijn
UPC CoA 9 oktober 2026, IEF 23790; IEFbe 4373; UPC-CoA-69/2026; UPC-CoA-71/2026; UPC-CoA-72/2026 (Network System Technologies tegen Qualcomm). In deze zaak tussen Network System Technologies (NST) en Qualcomm staat de vraag centraal of een gemiste beroepstermijn kan worden hersteld wanneer een rechterlijke beslissing onvolledige rechtsmiddelenvoorlichting bevat. NST had bij de lokale divisie München van het UPC inbreukprocedures aangespannen tegen Qualcomm met betrekking tot drie Europese octrooien. Daarbij had NST op grond van Rule 190 van het RoP verzocht om overlegging van bewijs. De lokale divisie wees deze verzoeken af in haar beslissingen van 11 maart 2026. NST stelde hiertegen beroep in, maar het Court verklaarde de beroepen tegen de afwijzing van de bewijsverzoeken niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de toepasselijke beroepstermijn van vijftien dagen. NST verzocht vervolgens op grond van Rule 320 RoP om herstel van haar rechten. NST voerde aan dat de beslissingen van de lokale divisie uitsluitend waren aangeduid als 'decisions' en dat de rechtsmiddelenvoorlichting een beroepstermijn van twee maanden vermeldde. Bovendien waren de afwijzingen van de bewijsverzoeken niet opgenomen in het dictum van de beslissingen. Volgens NST kon haar daarom niet worden verweten dat zij de beroepstermijn van vijftien dagen had gemist.


















