IEFBE 3741
27 mei 2024
Uitspraak

Novartis v PI Pharma: hermerking generiek naar merkgeneesmiddel levert opnieuw merkinbreuk op

 
IEFBE 3740
23 mei 2024
Artikel

Streamingdiensten verliezen terrein in zaak voor Grondwettelijk Hof

 
IEFBE 3739
21 mei 2024
Artikel

Dirk Visser over de balans tussen meer en minder merkenrecht bij Benelux-hof

 
IEFBE 3741

Uitspraak ingezonden door Jeroen Muyldermans en Paul Maeyaert, Fencer.

Novartis v PI Pharma: hermerking generiek naar merkgeneesmiddel levert opnieuw merkinbreuk op

Brussel - Bruxelles(Fr./Nl.) 23 mei 2024, IEFBE 3741; A/23/03788 (Novartis AG tegen PI Pharma NV), https://ie-forum.be/artikelen/novartis-v-pi-pharma-hermerking-generiek-naar-merkgeneesmiddel-levert-opnieuw-merkinbreuk-op

Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel 23 mei 2024, IEFbe 3741; A/23/03788 (Novartis AG tegen PI Pharma NV). In navolging van het prejudiciële arrest van het Hof van Justitie van de EU in de zaken Femara en Rilatine [zie IEFbe 3588] en enkele eerdere uitspraken over hermerking van geneesmiddelen van Novartis, waarvan het beroep hangende is, oordeelt de Voorzitter van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank van Brussel, zetelend zoals in kort geding, opnieuw dat de hermerking van de generieke benaming ‘amplodipine/valsartan Sandoz’ naar ‘Exforge’ van Novartis onrechtmatig is.De stakingsrechter oordeelt dat het Hof van Justitie de voorwaarden inzake hermerking “scherp [heeft] gesteld” voor de hermerking van een identiek generiek geneesmiddel naar een merkgeneesmiddel. Het wacht de uitspraken van het hof van beroep van Brussel in hangende Femara en Rilatine zaken niet af en oordeelt in het bijzonder dat voorschriftpraktijken en voorschriften inzake herinneringsreclame, ondanks het kleine marktaandeel van generieken, geen objectieve noodzaak tot hermerking opleveren. Ondanks kleinere marktaandelen heeft een generieke benaming volledig toegang tot de Belgische markt:

IEFBE 3740

Artikel geschreven door Caroline Theunis, advocaat.

Streamingdiensten verliezen terrein in zaak voor Grondwettelijk Hof

Streamingdiensten verliezen terrein in zaak voor Grondwettelijk Hof

Caroline Theunis, advocaat

Toen in 2022 de DSM-bepalingen voor “online auteursrechten” werden omgezet in België, stapten enkele streamingdiensten (zoals Streamz en Spotify) samen met enkele platenfirma’s naar het Grondwettelijk Hof. De zaak is nog hangende.

Zij verzetten zich tegen artikel XI.228/11 WER, dat een niet-overdraagbaar vergoedingsrecht voor auteurs en uitvoerende kunstenaars invoerde. De artiesten moeten daardoor vergoed worden door streamingplatformen, zelfs nadat ze hun exploitatierechten hebben overgedragen aan een uitgever of producent.

Streamingdiensten, zoals Spotify en Netflix, zijn platformen die on-demand content beschikbaar maken. Doorgaans doen ze dit door licenties aan te gaan met professionele uitgevers.

IEFBE 3738

Artikel geschreven door Caroline Theunis, advocaat.

European Copyright Society steunt Kwantum in rechtszaak rond Eames-stoel

, IEFBE 3738; https://ie-forum.be/artikelen/european-copyright-society-steunt-kwantum-in-rechtszaak-rond-eames-stoel

European Copyright Society steunt Kwantum in rechtszaak rond Eames-stoel

Caroline Theunis, advocaat

De European Copyright Society (ECS) uit haar standpunt in de veelbesproken rechtszaak tussen Kwantum en Vitra over de iconische Eames-designerstoel.

Kwantum vs. Vitra
In 1948 ontwierp het Amerikaanse echtpaar Eames de beroemde “Diner Sidechair Wood” (DSW), waarvan de rechten worden aangehouden door de Zwitserse producent Vitra (zie omslagafbeelding).

In 2014 introduceerde Kantum haar "Paris Chair" op de Belgische en Nederlandse markt.

Dit leidde tot een rechtszaak van Vitra die beweerde dat haar auteursrecht werd geschonden.

Het dispuut draait om het verschil in benadering van de VS en de EU aangaande cumulatie van auteurs- en modelrecht. In de States geniet een dergelijke stoel geen auteursrechtbescherming omdat ze reeds als model in aanmerking komt, terwijl in de EU beide regimes cumulatief van toepassing zijn.

IEFBE 3650

DeLex zoekt juridisch redactioneel stagiair vanaf juni/juli 2024

Wil jij je als student verdiepen in de laatste ontwikkelingen binnen de vakgebieden Intellectuele Eigendom, ICT-recht en Privacy? 

Kom dan vanaf juni/juli 2024 (precieze datum in overleg) stagelopen bij deLex! DeLex is een juridische uitgeverij gericht op juridische professionals in deze vakgebieden. Zo beheren wij de online databases IE-forum.nl en ITenrecht.nl, geven we een aantal vakbladen uit en verzorgen we congressen en andere opleidingen. 

Tijdens de stage maak je kennis met de werkzaamheden binnen een juridische uitgeverij. Je werkt drie maanden nauw samen met de uitgever en andere (web)redacteuren die je de kneepjes van het vak snel bijbrengen. Daarnaast bieden de congressen je de kans om te netwerken en de IE-community te leren kennen. Veel van onze stagiaires werken inmiddels bij bekende advocatenkantoren, instanties en bedrijven.

IEFBE 3737

Artikel geschreven door Caroline Theunis, advocaat

Hoe Belgische IER-handhaving de Europese rechtspraak doorstaat

Hoe Belgische IER-handhaving de Europese rechtspraak doorstaat

Risicoaansprakelijkheid bij kortgedingmaatregelen

Caroline Theunis, advocaat

Begin 2024 bevestigde het Europees Hof van Justitie (HvJ) de rechtsgeldigheid van de Belgische risicoaansprakelijkheid in het kader van voorlopige maatregelen.

Krachtens artikel 1369ter Ger. W. kan de rechter de eiser in kortgeding (art. 584 Ger.W.) schadevergoeding opleggen als blijkt dat de opgelegde maatregelen ongerechtvaardigd waren. België neemt daarmee letterlijk artikel 9, lid 7 van de Handhavingsrichtlijn over.

Interessant is dat Belgische rechters de schadevergoeding opleggen zonder dat een fout of kwade trouw in hoofde van de eiser bewezen hoeft te zijn. Deze risicoaansprakelijkheid wordt gegrond op artikel 1398 Ger. W., dat bepaalt dat de uitvoering van vonnissen bij voorraad “op risico” gebeurt van de partij die daartoe gelast. Zie deze eerdere post voor een toepassing door de Ondernemingsrechtbank te Antwerpen inzake beslag inzake namaak.

IEFBE 3736

Uitspraak ingezonden door Anthony van der Planken, Van Innis & Delarue.

Modeontwerpster kan merkgebruik verbieden op grond van niet-ingeschreven pseudoniem

Hoven van Beroep - Cours d'Appel 25 mrt 2024, IEFBE 3736; 2023/AR/36 (Appellante tegen Odile Jacobs), https://ie-forum.be/artikelen/modeontwerpster-kan-merkgebruik-verbieden-op-grond-van-niet-ingeschreven-pseudoniem

Hof van Beroep Brussel 25 maart 2024, IEFbe 3736, IEF 22014; 2023/AR/36 (Appellante tegen Odile Jacobs). In 2017 werd de kledingcollectie ‘Odile Jacobs’ gelanceerd. De naam is een combinatie van de voornaam van de ontwerpster en de achternaam van haar man. In 2019 hebben de ontwerpster en haar man een bedrijf opgericht en het Uniemerk ‘Odile Jacobs’ geregistreerd. Twee jaar later ging het echter minder goed tussen en volgde een echtscheiding. Ze werd gelijktijdig uit het bedrijf gezet. Enkele maanden later introduceerde de ontwerpster haar nieuwe collectie, zelf beheerd en nog steeds onder het pseudoniem 'Odile Jacobs'. Het voormalige bedrijf van de ontwerpster, nog steeds onder leiding van haar ex-echtgenoot, lanceerde ook een nieuwe collectie, ontworpen door een andere persoon, maar eveneens gepresenteerd onder de naam 'Odile Jacobs'. In augustus 2022 begon het bedrijf een gerechtelijke procedure tegen de ontwerpster, bewerend dat haar voortdurende gebruik van de naam 'Odile Jacobs' in strijd was met hun geregistreerde merk. Als reactie daarop diende de ontwerpster een tegenvordering in, waarbij zij betoogde dat het gebruik van de naam 'Odile Jacobs' door het bedrijf inbreuk maakte op haar niet-geregistreerde rechten op dezelfde naam. Het Hof van Beroep in Brussel oordeelt dat de ontwerpster oudere rechten heeft op de naam, aangezien zij deze voor de indiening van het Uniemerk al gebruikte als pseudoniem. Zij mocht bovendien ook na het verlaten van het bedrijf de naam ‘Odile Jacobs’ blijven gebruiken. Het Hof beveelt het bedrijf voorts het gebruik van de naam te staken en gestaakt te houden. Niet relevant is dat het bedrijf over een geregistreerd handelsmerk bezat. In artikel 137 van de Uniemerkenverordening is immers neergelegd dat een dergelijk verbod geoorloofd is op basis van een nationaal recht dat vóór de indieningsdatum is verworven van dat Uniemerk. Het Hof benadrukt hierbij dat het niet uitmaakt dat de ontwerpster de naam van haar ex-man nog gebruikt na de scheiding. Dit mag wanneer er een intellectueel eigendomsrecht is verkegen waarin die naam gebruikt is. 

IEFBE 3735

Uitspraak ingezonden door Rik Balk, Balk Legal.

Arrest van Benelux-Gerechtshof over woordmerk NIELSON

Benelux Gerechtshof - Cour Benelux 23 apr 2024, IEFBE 3735; C 2021/18 (Verzoekers tegen verweerder), https://ie-forum.be/artikelen/arrest-van-benelux-gerechtshof-over-woordmerk-nielson

BenGH 23 april 2023, IEF 22009, IEFbe 3735; C 2021/18 (Verzoekers tegen verweerder). Op 10 juni 2023 heeft verweerder een aanvraag ingediend voor het Benelux-woordmerk NIELSON. Verzoekers hebben op 3 april 2020 een vordering ingediend bij het BOIP (hierna: Bureau) tot doorhaling wegens vervallenverklaring, met als grondslagen dat het woordmerk niet normaal gebruikt is en dat de aanvraag te kwader trouw was. Een van de verzoekers is Nicolaas Laurens Littooij, beter bekend onder zijn artiestennaam Nielson. De vordering is gedeeltelijk toegewezen. Het woordmerk wordt vervallen en nietig verklaard voor slechts bepaalde diensten die aangeduid zijn in klasse 41. De overige vorderingen van Littooij worden afgewezen door het Bureau. Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing van het Bureau. Zij verzoeken het woordmerk ook voor de andere diensten aangeduid in klasse 41 nietig en vervallen te verklaren.

IEFBE 3734

HvC over auteursrechten in beroepsuitoefening advocaat

Hof van Cassatie - Cour de Cassation 24 mrt 2023, IEFBE 3734; (Eisers tegen de Belgische Staat), https://ie-forum.be/artikelen/hvc-over-auteursrechten-in-beroepsuitoefening-advocaat

Hof van Cassatie van België 23 maart 2023, IEFbe 3734; F.21.0052.N/1 (Eisers tegen de Belgische Staat) Eiser heeft namelijk bij een overeenkomst van 18 juli 2008 zijn auteursrechten, die ontstaan tijdens zijn activiteiten ten behoeve van het advocatenkantoor waar hij werkzaam was, overgedragen aan dit kantoor tegen een overeengekomen vergoeding. Eisers zijn van oordeel dat deze vergoeding belast moet worden als roerende inkomsten op basis van artikel 17, §1, 5° WIB 1992. Verweerder daarentegen is van oordeel dat deze vergoeding belastbaar is als beroepsinkomsten op grond van artikel 27, 1° WIB 1992. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep werd de stelling van eisers verworpen.

Het HvC oordeelt dat als noodzakelijke voorwaarde voor de totstandkoming van een auteursrecht geldt dat dat het werk oorspronkelijk is, in de zin dat het een eigen intellectuele schepping van zijn auteur is, die de persoonlijkheid van deze laatste weerspiegelt en tot uiting komt door de vrije, creatieve keuzes van de auteur bij de totstandkoming van dat werk. Het feit dat een auteur een werk in het kader van zijn beroepsactiviteiten produceert, en daarbij wordt verondersteld de nodige professionele deskundigheid aan de dag te leggen, verhindert als zodanig niet dat het werk als oorspronkelijk in aanmerking kan komen. Het oordeel van de appelrechter dat een advocaat bij zijn beroepsuitoefening ‘normaal’ geen intellectuele scheppingen tot stand brengt die het gevolg zijn van vrije en creatieve keuzes waardoor er geen sprake kan zijn van auteursrechten is derhalve onjuist. De bedongen vergoeding kan dus wel een vergoeding was voor overgedragen auteursrechten belastbaar in toepassing van artikel 17, § 1, 5°, en 37, tweede lid, WIB92 zijn.

IEFBE 3733

HvC over de bevoegdheid van de stakingsrechter

Hof van Cassatie - Cour de Cassation 7 apr 2023, IEFBE 3733; (eiseressen tegen verweersters), https://ie-forum.be/artikelen/hvc-over-de-bevoegdheid-van-de-stakingsrechter

Hof van Cassatie van België 7 april 2023, IEFbe 3733; C.22.0254.N/1 (eiseressen tegen verweerders) Eiseressen brengen voorschriftvrije geneesmiddelen op de markt, waaronder het product Physiomer. Zij verkopen dit in een verpakking met daarop een zeegolf. Verweersters hebben onder de benaming ‘Febelcare Physio’ eveneens fysiologisch water op de markt gebracht, op basis van zeewater, met op de verpakking een zeegolf. De ondernemingsrechtbank Gent heeft de vordering tot vaststelling van een verwarringstichtende en oneerlijke daad van mededinging en tot oplegging van een stakingsbevel afgewezen. In hoger beroep wordt het vonnis bekrachtigd, met dien verstande dat voor recht wordt gezegd dat de afdeelding van een zeegolf in combinatie met de vermelding ‘100% natural’ voor een product dat niet voor 100% uit zeewater bestaat, misleidend is, en op dit punt wordt een stakingsbevel opgelegd. Eiseressen voeren hiertoe aan dat door de vordering van eiseressen tot terugroeping van de inbreukmakende producten te verwerpen, de appelrechter artikel XVII.1 WER schendt. Het HvC gaat hierin mee. Krachtens artikel XVII.1 WER heeft de stakingsrechter de bevoegdheid om alle maatregelen te bevelen die bijdragen tot de staking van de inbreuk. Zo kan hij de terugname van reeds gedistribueerde producten uit de handel bevelen, voor zover deze maatregel belet dat de inbreuk voortduurt en nog nadelige gevolgen heeft, zelfs nadat de staking ervan is bevolen. De appelrechter die oordeelt dat “de bevoegdheid van de stakingsrechter niet zover reikt dat hij de verweerder zou kunnen gebieden reeds verspreide producten of exemplaren van de markt te halen”, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.