DOSSIERS
Alle dossiers

Merkenrecht - Droit des marques  

IEFBE 4223

MUKA/LAMUCCA: nietigverklaring van Uniebeeldmerk wegens verwarringsgevaar voor restaurantdiensten

Gerecht EU - Tribunal UE 13 mei 2026, IEFBE 4223; ECLI:EU:T:2026:341 (Ixo Restauración, SL tegen EUIPO en Promollum 142 B, SL), https://ie-forum.be/artikelen/muka-lamucca-nietigverklaring-van-uniebeeldmerk-wegens-verwarringsgevaar-voor-restaurantdiensten

Gerecht EU 13 mei 2026, IEF 23566; IEFbe 4223; ECLI:EU:T:2026:341 (Ixo Restauración, SL tegen EUIPO en Promollum 142 B, SL). In dit arrest gaat het om een nietigheidsprocedure tegen het Uniebeeldmerk MUKA, bestaande uit het woordelement “muka” in licht gestileerde zwarte hoofdletters, geregistreerd voor catering-/restaurantdiensten in klasse 43. Promollum 142 B, SL verzocht om nietigverklaring op basis van haar oudere Spaanse woordmerk LAMUCCA, eveneens geregistreerd voor catering-/restaurantdiensten in klasse 43. De nietigheidsgrond was artikel 60 lid 1 onder a UMVo, gelezen in samenhang met artikel 8 lid 1 onder b en artikel 8 lid 5 UMVo, maar de nietigheidsafdeling en vervolgens de Kamer van Beroep wezen de nietigheid toe op grond van verwarringsgevaar ex artikel 8 lid 1 onder b UMVo. Ixo Restauración betoogde bij het Gerecht onder meer dat normaal gebruik van het oudere merk niet was bewezen, omdat het bewijs volgens haar vooral betrekking had op voedingsmiddelen of verkoopdiensten en niet op restaurantdiensten. Het Gerecht verwerpt dat betoog. Voor de relevante perioden, 20 september 2018 tot en met 19 september 2023 en, vanwege de vijfjaarstoets op de datum van aanvraag van het jongere merk, 8 april 2017 tot en met 7 april 2022, had Promollum voldoende bewijs overgelegd van daadwerkelijk gebruik van LAMUCCA voor restaurantdiensten in Spanje. Daarbij ging het onder meer om persartikelen, belasting- en btw-aangiften, leveranciersverklaringen, kassabonnen, facturen en stukken waaruit bleek dat restaurants binnen de LAMUCCA-groep onder dat teken diensten aanboden. Dat sommige stukken betrekking hadden op eten of ingrediënten deed daaraan niet af, omdat de kassabonnen wezen op bereide gerechten die ter plaatse werden geconsumeerd, bijvoorbeeld in de zaal of op het terras, en leveranciersfacturen zagen op onder meer bestek, ingrediënten en drank voor restaurants die onder LAMUCCA exploiteerden. Ook gebruik door restaurants zoals “Lamucca Andes”, “Lamucca Carmen” en “Lamucca Fuencarral” kon worden meegewogen, omdat dat gebruik door de merkhouder was toegestaan. Bovendien kan gebruik als handelsnaam of vennootschapsnaam als merkgebruik gelden wanneer de betrokken diensten zelf onder dat teken worden aangeboden, wat hier het geval was.

IEFBE 4222

OBELIX en wapens: EUIPO beoordeelde de reputatiebescherming te beperkt

Gerecht EU - Tribunal UE 13 mei 2026, IEFBE 4222; ECLI:EU:T:2026:343 (Les Éditions Albert René tegen EUIPO en WERKEN 11 MICHAŁ LUBIŃSKI), https://ie-forum.be/artikelen/obelix-en-wapens-euipo-beoordeelde-de-reputatiebescherming-te-beperkt

Gerecht EU 13 mei 2026, IEF 23565; IEFbe 4222; ECLI:EU:T:2026:343 (Les Éditions Albert René tegen EUIPO en WERKEN 11 MICHAŁ LUBIŃSKI). In dit arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 13 mei 2026 staat een nietigheidsprocedure centraal over het Uniewoordmerk Obelix, dat door WORKS 11 Michał Lubiński was geregistreerd voor wapens, munitie en aanverwante producten in klasse 13. Les Éditions Albert René, rechthebbende achter de Asterix- en Obelix-franchise, vorderde nietigverklaring op basis van haar oudere Uniewoordmerk OBELIX, geregistreerd voor onder meer waren en diensten in de klassen 9, 16, 25, 28 en 41. De vordering was gebaseerd op artikel 60 lid 1 onder a UMVo, gelezen in samenhang met artikel 8 lid 1 onder b en artikel 8 lid 5 UMVo. De nietigheidsafdeling wees het verzoek af wegens onvoldoende bewijs van normaal gebruik van het oudere merk. De Kamer van Beroep liet het normaal gebruik vervolgens uit proceseconomische overwegingen in het midden en beoordeelde de zaak alsof normaal gebruik was aangetoond. Zij oordeelde dat geen verwarringsgevaar bestond, omdat de betrokken waren en diensten ongelijksoortig waren, en dat artikel 8 lid 5 UMVo evenmin toepassing vond, omdat de reputatie van het oudere merk niet voldoende was bewezen en het relevante publiek geen verband zou leggen tussen Obelix voor wapens en het oudere merk OBELIX. Het Gerecht verwerpt de motiveringsklacht van Les Éditions Albert René: de beslissing was niet innerlijk tegenstrijdig, omdat de Kamer van Beroep normaal gebruik slechts hypothetisch aannam en vervolgens afzonderlijk de reputatie van het oudere merk beoordeelde. Ook heeft de Kamer van Beroep daarmee niet de geldigheid van het oudere merk ter discussie gesteld en evenmin geoordeeld dat namen van fictieve personages niet als merk kunnen functioneren.

IEFBE 4221

Verval van Benelux-beeldmerk "KIF Radio" wegens ontbreken van normaal gebruik

Benelux Gerechtshof - Cour Benelux 18 mrt 2026, IEFBE 4221; C 2024/18 (([verzoeker] tegen [verweerster])), https://ie-forum.be/artikelen/verval-van-benelux-beeldmerk-kif-radio-wegens-ontbreken-van-normaal-gebruik

BenGH 18 maart 2026, IEF 23561; IEFbe 4221; C 2024/18 ([verzoeker] tegen [verweerster]). In deze zaak staat de vraag centraal of een Benelux-beeldmerk voor “KIF Radio” vervallen kan worden verklaard wegens het ontbreken van normaal gebruik. Het Benelux-Gerechtshof bevestigt de beslissing van het BBIE en oordeelt dat daarvan sprake is. Het enkele gebruik van tekens waarin het woordelement “KIF” voorkomt, volstaat in dit geval niet als gebruik van het ingeschreven merk. [verzoeker] is houder van een semi-figuratief merk voor onder meer telecommunicatie- en culturele diensten. Mediazone heeft bij het BBIE een vordering tot doorhaling ingesteld, stellende dat het merk tijdens een periode van vijf jaar niet normaal is gebruikt. Het BBIE heeft die vordering toegewezen en het merk vervallen verklaard. In beroep voert [verzoeker] aan dat wel degelijk sprake is van gebruik, omdat Mediazone het teken “KIF” en varianten daarvan heeft gebruikt voor radio-uitzendingen, naar zijn zeggen met zijn toestemming en dus op basis van een licentie. Het Hof stelt voorop dat van normaal gebruik sprake is wanneer het merk daadwerkelijk wordt gebruikt overeenkomstig zijn wezenlijke functie, namelijk het waarborgen van de herkomst van de betrokken diensten, met het oog op het verkrijgen of behouden van afzet. Symbolisch gebruik is onvoldoende. Ook gebruik in een afwijkende vorm kan relevant zijn, mits het onderscheidend vermogen van het merk in de ingeschreven vorm niet wordt gewijzigd. Vaststaat dat Mediazone vanaf 2019 radioactiviteiten verricht onder tekens waarin het woordelement “KIF” voorkomt. Volgens [verzoeker] moet dit worden aangemerkt als gebruik van het merk, omdat het onderscheidend vermogen wordt gedragen door het woordelement en de grafische verschillen ondergeschikt zijn. Het Hof volgt dat betoog niet. Het stelt vast dat de door Mediazone gebruikte tekens op essentiële punten afwijken van het ingeschreven beeldmerk, onder meer wat betreft lettertype, vormgeving van de letters, compositie en de vorm van de achtergrond. Hoewel er overeenkomsten bestaan, zijn de verschillen te groot en te opvallend om als verwaarloosbaar te worden beschouwd. Daarmee kan niet worden gesproken van gebruik van het merk in een vorm die het onderscheidend vermogen onverlet laat.

IEFBE 4219

Verwarringsgevaar tussen proGlan en PRO PLAN

Gerecht EU - Tribunal UE 6 mei 2026, IEFBE 4219; ECLI:EU:T:2026:315 (Ecuphar tegen EUIPO en Société des produits Nestlé SA), https://ie-forum.be/artikelen/verwarringsgevaar-tussen-proglan-en-pro-plan

Gerecht EU 6 mei 2026, IEF 23534, IEFbe 4219; ECLI:EU:T:2026:315 (Ecuphar tegen EUIPO en Société des produits Nestlé SA). In T-291/25 bevestigt het Gerecht de weigering van de Uniemerkaanvraag voor het figuratieve teken proGlan, aangevraagd voor “medicines for anal gland function for veterinary use” in klasse 5. Nestlé had oppositie ingesteld op basis van haar oudere internationale registratie met werking in de EU voor het woordmerk PRO PLAN, geregistreerd voor “nutritional supplements for veterinary use” en “nutritional supplements for animal consumption” in klasse 5. De oppositie was gebaseerd op artikel 8 lid 1 onder b UMVo. Het Gerecht verklaart allereerst dat het niet bevoegd is om zelf registratie van het aangevraagde merk toe te staan en dat het beroep tegen de beslissing van de oppositieafdeling niet-ontvankelijk is, omdat bij het Gerecht alleen beslissingen van de Kamers van Beroep kunnen worden aangevochten. Inhoudelijk bevestigt het Gerecht dat het relevante publiek bestaat uit zowel het algemene publiek, zoals huisdiereigenaren, als professionals, zoals dierenartsen, binnen de Europese Unie. Professionals hebben doorgaans een hoog aandachtsniveau en ook het algemene publiek heeft een hoger dan gemiddeld aandachtsniveau, omdat de betrokken waren de gezondheid en het welzijn van dieren kunnen beïnvloeden. Dat verhoogde aandachtsniveau sluit verwarringsgevaar echter niet uit.

IEFBE 4218

Verwarringsgevaar tussen alma FARMACIE en ALMA HYBRID

Gerecht EU - Tribunal UE 6 mei 2026, IEFBE 4218; ECLI:EU:T:2026:317 (Pharma Green Holding SpA SB tegen EUIPO en Alma Lasers Ltd), https://ie-forum.be/artikelen/verwarringsgevaar-tussen-alma-farmacie-en-alma-hybrid

Gerecht EU 6 mei 2026, IEF 23533; IEFbe 4218; ECLI:EU:T:2026:317 (Pharma Green Holding SpA SB tegen EUIPO en Alma Lasers Ltd). In T-480/25 bevestigt het Gerecht de weigering van de Uniemerkaanvraag voor het figuratieve teken alma FARMACIE, aangevraagd voor onder meer cosmetica, farmaceutische producten, voedingssupplementen en farmaceutische/medische diensten in de klassen 3, 5 en 44. Alma Lasers had daartegen oppositie ingesteld op grond van haar oudere internationale registratie met werking in de EU voor het woordmerk ALMA HYBRID, geregistreerd voor onder meer medische lasers, medische diensten en hygiëne- en schoonheidsverzorging. De oppositie was gebaseerd op artikel 8 lid 1 onder b UMVo. Het Gerecht oordeelt dat de Kamer van Beroep haar beoordeling mocht beperken tot het Spaans- en Portugeestalige publiek, omdat voor weigering van een Uniemerk voldoende is dat verwarringsgevaar bestaat in een deel van de Unie. Voor cosmetica en schoonheidsverzorging geldt een gemiddeld aandachtsniveau, terwijl voor farmaceutische producten, voedingssupplementen en medische of farmaceutische diensten een hoog aandachtsniveau kan gelden vanwege het verband met gezondheid. Dat hogere aandachtsniveau sluit verwarringsgevaar echter niet uit, omdat ook oplettende consumenten merken meestal niet rechtstreeks vergelijken en moeten afgaan op hun onvolmaakte herinnering.

IEFBE 4213

Gerecht EU: woordmerk '5 Coins' mist onderscheidend vermogen voor spel- en gokgerelateerde producten en diensten

Gerecht EU - Tribunal UE 29 apr 2026, IEFBE 4213; ECLI:EU:T:2026:298 (Wazdan Innovations tegen EUIPO), https://ie-forum.be/artikelen/gerecht-eu-woordmerk-5-coins-mist-onderscheidend-vermogen-voor-spel-en-gokgerelateerde-producten-en-diensten

Gerecht EU 29 april 2026, IEF 23523; IEFbe 4213; ECLI:EU:T:2026:298 (Wazdan Innovations tegen EUIPO). Dit arrest betreft een beroep van Wazdan Innovations Ltd. tot vernietiging van de beslissing van de Vierde Kamer van Beroep van het EUIPO van 10 december 2024, waarbij de inschrijving van het woordmerk "5 Coins" werd geweigerd. De aanvraag was op 21 augustus 2023 ingediend door Wazdan Holding Ltd. voor producten en diensten in de klassen 9, 28, 35, 41 en 42 (Nice-classificatie), waaronder spelletjessoftware, elektronische spelen, loyaliteitsprogramma's, casino- en gokdiensten en softwareontwikkeling. De examinator had de aanvraag bij beslissing van 11 maart 2024 gedeeltelijk afgewezen op grond van zowel art. 7 lid 1 onder b) als onder c) UMVo. Na een door Wazdan doorgevoerde beperking van de lijst van producten en diensten bevestigde de Kamer van Beroep de weigering, maar uitsluitend op grond van het ontbreken van onderscheidend vermogen ex art. 7 lid 1 onder b) UMVo (Verordening (EU) 2017/1001), waarbij zij het beschrijvende karakter ex art. 7 lid 1 onder c) UMVo uitdrukkelijk buiten beschouwing liet. Een beperkt aantal categorieën, waaronder organisatie van sportevenementen, culturele activiteiten en ontwerp van onlinespellen, werd wel toegelaten. Wazdan stelde drie middelen aan: (1) schending van art. 7 lid 1 onder b) UMVo wegens onjuiste kwalificatie als "quasi-beschrijvend" teken en onjuiste toepassing, (2) schending van de beginselen van gelijke behandeling, behoorlijk bestuur en gewettigd vertrouwen wegens afwijking van eerdere EUIPO-beslissingen over vergelijkbare merken, en (3) motiveringsgebrek ex art. 94 lid 1 UMVo jo. art. 296 tweede alinea VWEU. Het Gerecht wees het primaire verzoek tot hervorming, strekkend tot inschrijving van het merk, af wegens onbevoegdheid: het EUIPO neemt geen formeel inschrijvingsbesluit dat vatbaar is voor beroep, en het Gerecht kan in het kader van zijn hervormingsbevoegdheid ex art. 72 lid 3 UMVo niet in de plaats treden van het EUIPO om een inschrijving te bevelen.

IEFBE 4205

Gerecht EU: verwarringsgevaar tussen ALFAVET en alfavet voor diergerelateerde waren en diensten

Gerecht EU - Tribunal UE 29 apr 2026, IEFBE 4205; ECLI:EU:T:2026:292 (Groupvet EE tegen EUIPO en alfavet Tierarzneimittel GmbH), https://ie-forum.be/artikelen/gerecht-eu-verwarringsgevaar-tussen-alfavet-en-alfavet-voor-diergerelateerde-waren-en-diensten

Gerecht EU 29 april 2026, IEF 23509; IEFbe 4205; ECLI:EU:T:2026:292 (Groupvet EE tegen EUIPO en alfavet Tierarzneimittel GmbH). In zaak T-403/25, bevestigt het Gerecht de beslissing van de Eerste kamer van beroep van het EUIPO over de oppositie tegen de aanvraag voor het Uniebeeldmerk ALFAVET. Groupvet had dit teken aangevraagd voor diergerelateerde waren en diensten in de klassen 3, 10, 18, 21, 31 en 44, waaronder dierverzorgingsproducten, veterinaire hulpmiddelen, diervoeding en veterinaire en dierverzorgingsdiensten. De oppositie was gebaseerd op het oudere Uniebeeldmerk alfavet, ingeschreven voor onder meer cosmetica, veterinaire preparaten, voedingssupplementen voor dieren en diervoeding in de klassen 3, 5 en 31. De Oppositieafdeling wees de aanvraag grotendeels af. De Kamer van Beroep draaide die beslissing gedeeltelijk terug voor alle waren in de klassen 18 en 21 en voor enkele waren in klasse 10, maar handhaafde de weigering voor de overige waren en diensten. Voor het Gerecht voerde Groupvet onder meer aan dat de oorspronkelijke opposant geen oppositiebevoegdheid had, dat de houder van het oudere merk te kwader trouw had gehandeld door het merk opnieuw te deponeren om gebruiksbewijs te vermijden, en dat geen verwarringsgevaar bestond. Het Gerecht verwerpt die bezwaren. De oorspronkelijke opposant was op het moment van indiening houdster van het oudere merk en had daarom oppositiebevoegdheid op grond van artikel 46 UMVo. Dat het merk mogelijk feitelijk door de latere interveniënte werd gebruikt, doet daaraan niet af. Ook de gestelde kwade trouw kan in een oppositieprocedure niet worden onderzocht: EUIPO moet in oppositie uitgaan van de geldigheid van het oudere merk. Een beroep op kwade trouw bij de aanvraag van het oudere merk hoort thuis in een nietigheidsprocedure, niet in een oppositieprocedure.

IEFBE 4207

Wazdan Innovations tegen EUIPO: "1 Coin" mist onderscheidend vermogen voor gaming- en gokdiensten

Gerecht EU - Tribunal UE 29 apr 2026, IEFBE 4207; ECLI:EU:T:2026:296 ((Wazdan Innovations tegen EUIPO)), https://ie-forum.be/artikelen/wazdan-innovations-tegen-euipo-1-coin-mist-onderscheidend-vermogen-voor-gaming-en-gokdiensten

Gerecht EU 29 april 2026, IEF23507, IT5241, ECLI:EU:T:2026:296 (Wazdan tegen EUIPO). In deze zaak heeft het Gerecht van de Europese Unie uitspraak gedaan in het beroep van Wazdan Innovations Ltd tegen het European Union Intellectual Property Office. Het geschil betrof de weigering om het Uniewoordmerk “1 Coin” in te schrijven voor onder meer spellen, gaming-software en gokdiensten. EUIPO had de aanvraag grotendeels afgewezen wegens het ontbreken van onderscheidend vermogen in de zin van artikel 7 lid 1 onder b van Verordening (EU) 2017/1001, ook nadat de lijst van waren en diensten was beperkt. De weigering had geen betrekking op de dienst “ontwerp van online spellen” (conception de jeux en ligne) in klasse 42. Wazdan verzocht het Gerecht primair om de bestreden beslissing te wijzigen en subsidiair om vernietiging daarvan. Het Gerecht oordeelde echter dat het niet bevoegd is om zelf een Uniemerk in te schrijven en beperkte zich daarom tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot vernietiging. Ten aanzien van het onderscheidend vermogen oordeelde het Gerecht dat het relevante publiek, bestaande uit het algemene publiek dat geïnteresseerd is in games, kansspelen en gokdiensten, en deels professionele afnemers met een hoger aandachtsniveau, het teken “1 Coin” zal opvatten als een verwijzing naar spelmechaniek, zoals inzet, spelregels of beloningen. Het element “coin” wordt in de gaming- en gokcontext algemeen gebruikt, onder meer voor fysieke of virtuele munten. Daardoor zal het teken niet worden gezien als een aanduiding van commerciële herkomst, maar als informatieve aanduiding. Het Gerecht bevestigde dat een teken ook zonder strikt beschrijvend te zijn toch niet-onderscheidend kan zijn.

IEFBE 4203

Gerecht EU: “FI” is beschrijvend voor financiële en beleggingsdiensten

Gerecht EU - Tribunal UE 29 apr 2026, IEFBE 4203; ECLI:EU:T:2026:299 (Fisher Investments Europe Ltd tegen EUIPO), https://ie-forum.be/artikelen/gerecht-eu-fi-is-beschrijvend-voor-financiele-en-beleggingsdiensten

Gerecht EU 29 april 2026, IEF 23505; IEFbe 4203; ECLI:EU:T:2026:299 (Fisher Investments Europe Ltd tegen EUIPO). In de gevoegde zaken T-465/25 en T-466/25, Fisher Investments Europe Ltd/EUIPO, heeft het Gerecht op 29 april 2026 de beroepen van Fisher Investments Europe Ltd tegen twee beslissingen van de Vijfde kamer van beroep van het EUIPO verworpen. De zaken betroffen twee aanvragen voor Uniebeeldmerken met het element “FI”, voor diensten in klasse 36, waaronder beleggingsbeheer, beleggingsadvies en beheerde beleggingsportefeuilles bestaande uit exchange traded funds, en klasse 41, waaronder seminars, persoonlijke optredens en spreekbeurten op het gebied van beleggingsbeheer en beleggingsadvies. Het EUIPO had de aanvragen geweigerd op grond van artikel 7 lid 1 onder b en c UMVo, gelezen in samenhang met artikel 7 lid 2 UMVo, omdat de tekens beschrijvend zouden zijn en onderscheidend vermogen zouden missen. De kamer van beroep oordeelde dat het relevante publiek,  voor klasse 36 zowel het algemene als het gespecialiseerde publiek, en voor klasse 41 uitsluitend een professioneel of gespecialiseerd publiek, telkens met een hoog aandachtsniveau, het element “FI” kon begrijpen als afkorting van “financial institution” en/of als landcode voor Finland. Volgens de kamer van beroep konden de tekens daardoor informatie geven over kenmerken van de diensten: zij konden worden opgevat als diensten die worden aangeboden door een financiële instelling, dan wel als diensten die verband houden met investeringen in Finland of op de Finse effectenmarkt. Fisher Investments stelde daartegenover dat het verband tussen “FI” en de diensten onvoldoende direct en specifiek was, dat “FI” meerdere betekenissen kan hebben, dat de figuratieve vormgeving de tekens onderscheidend maakte en dat EUIPO vergelijkbare tekens eerder wél had geregistreerd.

IEFBE 4199

Gerecht bevestigt afwijzing nietigheidsvordering tegen gezamenlijk ingeschreven EU-merk wegens aantoonbare toestemming

Gerecht EU - Tribunal UE 22 apr 2026, IEFBE 4199; ECLI:EU:T:2026:277 (Peponis tegen EUIPO en Palamianakis), https://ie-forum.be/artikelen/gerecht-bevestigt-afwijzing-nietigheidsvordering-tegen-gezamenlijk-ingeschreven-eu-merk-wegens-aantoonbare-toestemming

Gerecht EU 22 april 2026, IEF 23497; IEFbe 4199; ECLI:EU:T:2026:277 (Peponis tegen EUIPO en Palamianakis). In zaak T-494/24 heeft het Gerecht het beroep verworpen tegen de beslissing van de Tweede Kamer van Beroep van het EUIPO over het figuratieve Uniemerk CRETE HOMES REAL ESTATE CRETE PROPERTY and CONSTRUCTION CONSULTANTS SINCE 1990, dat sinds 2008 op naam stond van zowel Emmanouil Peponis als Fanourios Palamianakis. Peponis had in 2021 nietigverklaring gevorderd en verzocht het merk aan hem over te dragen, stellende dat Palamianakis als agent of vertegenwoordiger het merk mede op zijn eigen naam had laten registreren zonder de vereiste toestemming van de merkhouder. Het Gerecht verduidelijkt eerst dat wegens de indieningsdatum van de merkaanvraag, 6 oktober 2007, de materiële beoordeling plaatsvindt op grond van art. 52 lid 1, onder b, juncto art. 8 lid 3 van Verordening nr. 40/94, ook al was de nietigheidsvordering formeel gebaseerd op art. 60 lid 1, onder b, juncto art. 8 lid 3 UMVo 2017/1001; procedureel geldt wel de huidige UMVo. Het Gerecht herhaalt dat art. 8 lid 3 vier cumulatieve voorwaarden kent en dat de zaak hier reeds strandt op de voorwaarde dat de inschrijving door de agent of vertegenwoordiger zonder toestemming van de merkhouder moet zijn verricht. Die toestemming moet duidelijk, specifiek en onvoorwaardelijk zijn. Volgens het Gerecht heeft de Kamer van Beroep terecht geoordeeld dat van zulke toestemming sprake was, in het bijzonder op basis van een door beide partijen ondertekende algemene volmacht, die kort na de merkaanvraag bij EUIPO was ingediend, betrekking had op de lopende registratieprocedure en beide ondertekenaars als aanvragers aanwees. Daaruit mocht worden afgeleid dat de aanvraag bewust in beider naam was gedaan en dat beider mede-eigendom was beoogd.