Gerecht EU: onvoldoende bewijs van normaal gebruik ATHLETA voor diverse waren en diensten
Gerecht EU 30 september 2026, IEF 23876; IEFbe 4324; ECLI:EU:T:2026:617 (ATHLETA). Athleta (ITM) Inc. verzocht het Gerecht om gedeeltelijke vernietiging van twee beslissingen van de Vierde kamer van beroep van het EUIPO betreffende twee Uniewoordmerken ATHLETA. Sports Group Denmark had in 2023 op grond van artikel 58 lid 1 onder a UMVo verzocht om vervallenverklaring wegens niet-normaal gebruik. Voor het eerste merk had de kamer van beroep geoordeeld dat normaal gebruik was aangetoond voor de brede categorie “clothing” in klasse 25, maar niet voor “footwear, headgear and clothing accessories” en evenmin voor de betrokken waren en diensten in de klassen 18 en 35. Voor het tweede merk was de vervallenverklaring voor de in geschil zijnde waren en diensten in de klassen 18 en 35 bevestigd. Het Gerecht benadrukt dat normaal gebruik niet kan worden aangetoond aan de hand van waarschijnlijkheden of vermoedens, maar moet blijken uit concrete en objectieve gegevens over daadwerkelijk en voldoende gebruik op de relevante markt. Voor brede waren- of dienstencategorieën kan bewijs van normaal gebruik vereist zijn voor iedere zelfstandige subcategorie, maar de merkhouder hoeft niet het gebruik voor iedere denkbare commerciële variant binnen één en dezelfde homogene categorie te bewijzen. Voor “footwear, headgear and clothing accessories” acht het Gerecht het overgelegde bewijs onvoldoende: afbeeldingen waarop schoenen, hoeden of accessoires voorkomen tonen niet zonder meer aan dat ATHLETA voor die waren als merk is gebruikt of dat deze waren onder dat merk daadwerkelijk in de Europese Unie zijn verkocht. Ook de beperkte vermeldingen van onder meer hoofdbanden op Zalando en in spreadsheets zijn zonder verdere onderbouwing onvoldoende om daadwerkelijke commerciële exploitatie aan te tonen.