IEFBE 4338
6 oktober 2026
Uitspraak

UPC CoA: Keysight krijgt herstel in rechten na gemiste beroepstermijn

 
IEFBE 4337
5 oktober 2026
Uitspraak

RvS stelt prejudiciële vragen over voedingssupplementen, geneesmiddelen en medische claims in online reviews

 
IEFBE 4335
5 oktober 2026
Uitspraak

Prejudiciële vragen gesteld over de Etias-verordening

 
IEFBE 4327

De volgende stap voor de ervaren IE-jurist: Mr. S.K. Martens Academie 2026-2027

Vorige week werd de afgelopen leergang van de Mr. S.K. Martens Academie feestelijk afgesloten met de diplomauitreiking. In het jaar daarvoor werkten de deelnemers tijdens masterclasses en online sessies aan actuele vraagstukken binnen het IE- en procesrecht, met veel aandacht voor de praktijk. Zo stond ook een oefenrechtbank op het programma, waarin deelnemers hun procesvaardigheden konden toepassen in een realistische setting.

We danken alle deelnemers, docenten en hoofddocenten voor hun inzet, betrokkenheid en bijdrage aan een inhoudelijk sterke en inspirerende leergang.

Met de afsluiting van deze lichting kijken we ook alweer vooruit. Eind november start een nieuwe groep met de officiële specialisatieopleiding op het gebied van intellectueel eigendoms- en procesrecht. De opleiding is bedoeld voor ervaren advocaten, rechters en (bedrijfs)juristen die hun kennis verder willen verdiepen en hun praktische vaardigheden willen aanscherpen.

Tijdens de opleiding komen onder meer procederen, bewijs, merkenrecht, auteursrecht en de invloed van AI op de rechtspraktijk aan bod. Door de kleinschalige opzet is er veel ruimte voor interactie, discussie en het uitwisselen van ervaringen met docenten en andere deelnemers.

De inschrijvingen voor de nieuwe lichting zijn nog geopend.
Voor aanmelden of een offerte op maat mail naar info@delex.nl.

IEFBE 4326

Gerecht EU: Britse JOULES-merken kunnen na Brexit geen grondslag meer vormen voor oppositie tegen Jules Gents

30 sep 2026, IEFBE 4326; ECLI:EU:T:2026:618 (Jules Gents), https://ie-forum.be/artikelen/gerecht-eu-britse-joules-merken-kunnen-na-brexit-geen-grondslag-meer-vormen-voor-oppositie-tegen-jules-gents

Gerecht EU 30 september 2026, IEF 23878; IEFbe 4326; ECLI:EU:T:2026:618 (Jules Gents). Joules Ltd verzocht om vernietiging van een beslissing van de Eerste kamer van beroep van het EUIPO waarbij haar oppositie tegen het beeldmerk Jules Gents was afgewezen. De oppositie was onder meer gebaseerd op twee oudere Britse woordmerken JOULES, een internationale registratie JOULES met werking in de Europese Unie en een ouder Uniemerk Joules. De Oppositiedivisie had de oppositie aanvankelijk toegewezen wegens verwarringsgevaar met een van de Britse merken. Na afloop van de Brexit-overgangsperiode oordeelde de kamer van beroep echter dat die Britse merken niet langer als grondslag voor de oppositie konden dienen. Het Gerecht bevestigt dat het bestaan van een relatieve weigeringsgrond niet alleen moet worden beoordeeld op de datum van indiening van de jongere Uniemerkaanvraag, maar ook op het moment waarop het EUIPO definitief over de oppositie beslist. Omdat de overgangsperiode op 31 december 2020 was geëindigd, waren de Britse merken op de datum van de beslissing van de kamer van beroep niet langer merken die in een lidstaat waren beschermd in de zin van artikel 8 lid 2 onder a ii van Verordening nr. 207/2009. Zij konden daarom niet meer als basis voor de oppositie dienen. Het Gerecht bevestigt tevens dat voor de beoordeling van het verwarringsgevaar met het oudere Uniemerk het relevante grondgebied bestond uit de Europese Unie zonder het Verenigd Koninkrijk.

IEFBE 4325

Gerecht EU: kwade trouw bij internationale registratie MAP wegens eerdere samenwerking en kennis van oudere MAP-merken

Gerecht EU - Tribunal UE 30 sep 2026, IEFBE 4325; ECLI:EU:T:2026:606 (MAP), https://ie-forum.be/artikelen/gerecht-eu-kwade-trouw-bij-internationale-registratie-map-wegens-eerdere-samenwerking-en-kennis-van-oudere-map-merken

Gerecht EU 30 september 2026, IEF 23877; IEFbe 4325; ECLI:EU:T:2026:606 (MAP). Heinz Reinwald en HK Evolution LTD verzochten het Gerecht om vernietiging van een beslissing van de Tweede kamer van beroep van het EUIPO waarbij de internationale registratie MAP, met aanwijzing van de Europese Unie voor waren in de klassen 5 en 29, nietig was verklaard wegens kwade trouw. Omdat de aanwijzing van de Unie dateerde van 13 april 2011, beoordeelt het Gerecht de materiële voorwaarden aan de hand van artikel 52 lid 1 onder b van Verordening nr. 207/2009. Voor internationale registraties is voor de beoordeling van kwade trouw beslissend het tijdstip waarop de Europese Unie wordt aangewezen, en niet de eerdere datum waarop het nationale basismerk is aangevraagd. Kwade trouw moet worden vastgesteld aan de hand van een globale beoordeling van alle relevante feitelijke omstandigheden en op basis van objectieve aanwijzingen voor de intentie van de aanvrager. Het Gerecht bevestigt dat Reinwald en HK Evolution ten tijde van de aanvraag wisten of hadden moeten weten dat International Nutrition Research Center (INRC) het element MAP gebruikte in eerdere merken voor identieke of soortgelijke producten. Uit onder meer facturen, correspondentie, oudere merkregistraties en de samenwerking rond het MAP-product bleek bovendien dat vóór de relevante datum een contractuele en commerciële relatie tussen partijen bestond. Volgens het Gerecht was voor die beoordeling geen formele distributieovereenkomst vereist; ook een andere contractuele relatie kan relevant zijn voor de vaststelling van kwade trouw.

IEFBE 4324

Gerecht EU: onvoldoende bewijs van normaal gebruik ATHLETA voor diverse waren en diensten

Gerecht EU - Tribunal UE 30 sep 2026, IEFBE 4324; ECLI:EU:T:2026:617 (ATHLETA), https://ie-forum.be/artikelen/gerecht-eu-onvoldoende-bewijs-van-normaal-gebruik-athleta-voor-diverse-waren-en-diensten

Gerecht EU 30 september 2026, IEF 23876; IEFbe 4324; ECLI:EU:T:2026:617 (ATHLETA). Athleta (ITM) Inc. verzocht het Gerecht om gedeeltelijke vernietiging van twee beslissingen van de Vierde kamer van beroep van het EUIPO betreffende twee Uniewoordmerken ATHLETA. Sports Group Denmark had in 2023 op grond van artikel 58 lid 1 onder a UMVo verzocht om vervallenverklaring wegens niet-normaal gebruik. Voor het eerste merk had de kamer van beroep geoordeeld dat normaal gebruik was aangetoond voor de brede categorie “clothing” in klasse 25, maar niet voor “footwear, headgear and clothing accessories” en evenmin voor de betrokken waren en diensten in de klassen 18 en 35. Voor het tweede merk was de vervallenverklaring voor de in geschil zijnde waren en diensten in de klassen 18 en 35 bevestigd. Het Gerecht benadrukt dat normaal gebruik niet kan worden aangetoond aan de hand van waarschijnlijkheden of vermoedens, maar moet blijken uit concrete en objectieve gegevens over daadwerkelijk en voldoende gebruik op de relevante markt. Voor brede waren- of dienstencategorieën kan bewijs van normaal gebruik vereist zijn voor iedere zelfstandige subcategorie, maar de merkhouder hoeft niet het gebruik voor iedere denkbare commerciële variant binnen één en dezelfde homogene categorie te bewijzen. Voor “footwear, headgear and clothing accessories” acht het Gerecht het overgelegde bewijs onvoldoende: afbeeldingen waarop schoenen, hoeden of accessoires voorkomen tonen niet zonder meer aan dat ATHLETA voor die waren als merk is gebruikt of dat deze waren onder dat merk daadwerkelijk in de Europese Unie zijn verkocht. Ook de beperkte vermeldingen van onder meer hoofdbanden op Zalando en in spreadsheets zijn zonder verdere onderbouwing onvoldoende om daadwerkelijke commerciële exploitatie aan te tonen.

IEFBE 4323

Uitspraak ingezonden door Annelotte Boot en Robbert Sjoerdsma, Holla. 

EUIPO Board of Appeal: normaal gebruik WAHU-merk niet beperkt tot speelgoedballen en speelgoedfrisbees

EUIPO - BHIM - OHMI 27 aug 2026, IEFBE 4323; R 1210/2025-5 (Goliath tegen Wahu), https://ie-forum.be/artikelen/euipo-board-of-appeal-normaal-gebruik-wahu-merk-niet-beperkt-tot-speelgoedballen-en-speelgoedfrisbees

EUIPO Board of Appeal 27 augustus 2026, IEF 23875; IEFbe 4323; R 1210/2025-5 (Goliath tegen Wahu). Goliath IP Stichting verzocht om nietigverklaring van het Uniewoordmerk WAHU van Wahu GmbH, ingeschreven voor “sports equipment” in klasse 28, op grond van artikel 60 lid 1 onder a jo. artikel 8 lid 1 onder b UMVo. Het verzoek was gebaseerd op een ouder internationaal beeldmerk met het woordelement Wahu, dat onder meer bescherming genoot voor “outdoor toys, games, playthings; balls, footballs, beach balls, frisbees; sporting goods in this class, namely balls”. De Cancellation Division had het verzoek afgewezen nadat zij normaal gebruik van het oudere merk slechts bewezen achtte voor onder meer de subcategorieën “toy balls” en “toy frisbees”, die zij niet soortgelijk achtte aan “sports equipment”. In beroep laat de Board aanvullend bewijs toe, omdat dit het eerder overgelegde bewijs aanvult en relevant is voor de beoordeling.

IEFBE 4322

HvJ EU: Rome I bepaalt toepasselijk recht op formele geldigheid overdracht exclusieve gebruiksrechten

HvJ EU - CJUE 24 sep 2026, IEFBE 4322; ECLI:EU:C:2026:785 (Steizer), https://ie-forum.be/artikelen/hvj-eu-rome-i-bepaalt-toepasselijk-recht-op-formele-geldigheid-overdracht-exclusieve-gebruiksrechten

HvJ EU 24 september 2026, IEF 23874; IEFbe 4322; ECLI:EU:C:2026:785 (Steizer). BT liet door een in Polen gevestigde fotograaf foto’s van automatten maken voor haar onlineverkoop. Partijen sloten geen schriftelijke overeenkomst over de overdracht van gebruiksrechten en maakten evenmin een rechtskeuze. Nadat IU een aantal van deze foto’s zonder toestemming voor eigen eBay-aanbiedingen had gebruikt, stelde BT in Duitsland een auteursrechtelijke inbreukvordering in. In hoger beroep betwistte IU dat BT de exclusieve gebruiksrechten rechtsgeldig had verkregen, omdat naar Pools recht voor een dergelijke overdracht volgens haar een schriftelijkheidsvereiste gold. Het Oberlandesgericht Düsseldorf vroeg het Hof of de formele geldigheid van de overdracht moet worden beoordeeld volgens de lex loci protectionis van artikel 8 lid 1 Rome II, dan wel volgens het recht dat op grond van Rome I op de overdrachtsovereenkomst van toepassing is. Het Hof maakt een onderscheid tussen beide rechtsverhoudingen: de gestelde inbreuk door een derde vormt een niet-contractuele verbintenis en valt onder Rome II, maar de vraag naar de formele geldigheid van de overeenkomst tussen de auteur en de verkrijger staat daarvan los en betreft een verbintenis uit overeenkomst.

IEFBE 4321

Gerecht EU: geen verband tussen DEVATIS en NOVARTIS in de zin van artikel 8 lid 5 UMVo

Gerecht EU - Tribunal UE 23 sep 2026, IEFBE 4321; ECLI:EU:T:2026:587 (Devatis), https://ie-forum.be/artikelen/gerecht-eu-geen-verband-tussen-devatis-en-novartis-in-de-zin-van-artikel-8-lid-5-umvo

Gerecht EU 23 september 2026, IEF 23870; IEFbe 4321; ECLI:EU:T:2026:587 (Devatis). Deva Holding verzocht om bescherming in de Europese Unie van het beeldmerk DEVATIS voor verschillende waren in klasse 5, waaronder farmaceutische, medische en veterinaire preparaten. Novartis stelde oppositie in op grond van artikel 8 lid 5 UMVo en beriep zich op haar oudere woordmerk NOVARTIS. De oppositieafdeling wees de oppositie af. De Kamer van Beroep vernietigde die beslissing, omdat zij van oordeel was dat tussen de tekens een verband kon worden gelegd en dat sprake was van een niet louter hypothetisch risico op ongerechtvaardigd voordeel. Zij verwees de zaak terug naar de oppositieafdeling voor onder meer een volledige beoordeling van het bewijs van normaal gebruik en van de gestelde bekendheid van NOVARTIS. Het Gerecht stelt voorop dat de voorwaarden van artikel 8 lid 5 UMVo cumulatief zijn en dat een verband in de perceptie van het relevante publiek een noodzakelijke voorwaarde voor toepassing van die bepaling vormt. Wat de waren betreft, corrigeert het Gerecht de Kamer van Beroep: babyvoeding, middelen ter bestrijding van ongedierte en fungiciden zijn slechts in geringe mate soortgelijk aan farmaceutische preparaten en stoffen, terwijl tandvulmiddelen, tandwas en herbiciden daarvan verschillen. Wat de bekendheid betreft, mocht de Kamer van Beroep voor haar beoordeling uitgaan van de voor Novartis gunstige aanname dat het oudere merk een solide of hoge reputatie genoot; het Gerecht stelt de bekendheid in deze procedure dus niet zelf feitelijk vast.

IEFBE 4320

Gerecht EU: artikel 8 lid 5 UMVo niet van toepassing wegens ontbreken van verband tussen DEVATIS en NOVARTIS

Gerecht EU - Tribunal UE 23 sep 2026, IEFBE 4320; ECLI:EU:T:2026:588 (Devatis), https://ie-forum.be/artikelen/gerecht-eu-artikel-8-lid-5-umvo-niet-van-toepassing-wegens-ontbreken-van-verband-tussen-devatis-en-novartis

Gerecht EU 23 september 2026, IEF 23869; IEFbe 4320; ECLI:EU:T:2026:588 (Devatis). Deva Holding verzocht om bescherming in de Europese Unie van het beeldmerk DEVATIS voor verschillende waren in klasse 5, waaronder farmaceutische, medische en veterinaire preparaten. Novartis stelde oppositie in op grond van artikel 8 lid 5 UMVo en beriep zich onder meer op haar oudere woordmerk NOVARTIS. De oppositieafdeling wees de oppositie af, maar de Kamer van Beroep kwam tot het tegenovergestelde oordeel en achtte de cumulatieve voorwaarden van artikel 8 lid 5 UMVo vervuld. Het Gerecht bevestigt dat NOVARTIS een hoge mate van bekendheid geniet in Duitsland en Frankrijk voor farmaceutische preparaten en stoffen. Ook onderschrijft het Gerecht dat DEVATIS en NOVARTIS visueel en fonetisch in geringe mate overeenstemmen en dat de begripsmatige vergelijking neutraal is. De Kamer van Beroep heeft de nabijheid van de betrokken waren echter te ruim beoordeeld. Babyvoeding, middelen ter bestrijding van ongedierte en fungiciden zijn slechts in geringe mate soortgelijk aan farmaceutische preparaten en stoffen, terwijl tandvulmiddelen, tandwas en herbiciden daarvan verschillen.

IEFBE 4319

A-G: kosten van EUIPO-nietigheidsprocedure vallen volgens bijzondere kostenregeling

HvJ EU - CJUE 24 sep 2026, IEFBE 4319; ECLI:EU:C:2026:792 (Suzhou Anri Child Products), https://ie-forum.be/artikelen/a-g-kosten-van-euipo-nietigheidsprocedure-vallen-volgens-bijzondere-kostenregeling

Conclusie AG HvJ EU 24 september 2026, IEF 23868; IEFbe 4319; ECLI:EU:C:2026:792 (Suzhou Anri Child Products). In zaak C-573/25 staat de vraag centraal of advocatenkosten die zijn gemaakt in nietigheidsprocedures bij het EUIPO kunnen worden betrokken bij de kostenbegroting van een afzonderlijke nationale procedure over een voorlopige maatregel. Cybex had bij het Landgericht Düsseldorf een voorlopige maatregel verkregen waarmee Suzhou werd verboden haar S63-kinderwagen in Duitsland aan te bieden, daarvoor reclame te maken, deze op de markt te brengen, in te voeren, uit te voeren of voor die doeleinden in bezit te hebben wegens gestelde inbreuk op twee ingeschreven Gemeenschapsmodellen van Cybex. Die maatregel werd later opgeheven. Cybex stelde hoger beroep in, maar trok dat vervolgens in, waarna zij in de kosten van de nationale procedure werd verwezen. Het Landgericht Düsseldorf begrootte die kosten op € 8.748,04. Parallel daaraan had Suzhou bij het EUIPO twee nietigheidsprocedures tegen de modellen van Cybex ingesteld. Suzhou wilde de daarmee gemoeide advocatenkosten eveneens in de nationale kostenbegroting betrekken, waardoor zij uitkwam op € 100.966,77. A-G Campos Sánchez-Bordona adviseert het Hof de hierover gestelde zevende tot en met negende prejudiciële vraag niet-ontvankelijk te verklaren. Omdat de EUIPO-procedures nog aanhangig zijn, staat nog niet vast welke partij daarin in het gelijk of ongelijk zal worden gesteld en dus evenmin wie de daar gemaakte kosten moet dragen. Bovendien heeft het hoofdgeding bij de Duitse rechter betrekking op de kosten van de nationale procedure over de voorlopige maatregel en niet op de afzonderlijke nietigheidsprocedures bij het EUIPO. Volgens de A-G zijn de betreffende prejudiciële vragen daarom niet relevant voor de beslechting van het hoofdgeding.