Gerecht EU: EUIPO beoordeelde beschrijvend karakter en onderscheidend vermogen van ‘MID season’ op basis van onjuiste betekenis
Gerecht EU 7 oktober 2026, IEF 23912; IEFbe 4347; ECLI:EU:T:2026:641 (MID season For When It's Not Quite Cold Not Quite Warm). Milestone Sportswear Handels GmbH heeft verzocht om nietigverklaring van het Uniebeeldmerk ‘MID season For When It’s Not Quite Cold Not Quite Warm’, dat op naam van John Peter Srl is ingeschreven voor onder meer tassen, kleding en detailhandelsdiensten in de klassen 18, 25 en 35. Volgens Milestone Sportswear is het merk beschrijvend en mist het onderscheidend vermogen in de zin van artikel 7 lid 1 onder b en c van Verordening (EU) 2017/1001 (UMVo). De nietigheidsafdeling van EUIPO wees het verzoek af, waarna ook de kamer van beroep oordeelde dat het merk niet beschrijvend was en voldoende onderscheidend vermogen bezat. De kamer van beroep ging ervan uit dat het relevante Engelstalige publiek de woorden ‘mid season’ uitsluitend zou begrijpen als het midden van een van de vier seizoenen. Het Gerecht oordeelt echter dat de kamer van beroep hiermee een beoordelingsfout heeft gemaakt. Uit de door Milestone Sportswear overgelegde woordenboekfragmenten en voorbeelden uit de modebranche blijkt dat ‘mid season’ ook kan verwijzen naar overgangsseizoenen, zoals de lente en de herfst. De toevoeging ‘For When It’s Not Quite Cold Not Quite Warm’ ondersteunt deze betekenis, omdat daarmee wordt verwezen naar weersomstandigheden waarin het niet bijzonder koud of warm is.
UPC CoA: griffierecht mag na beroepstermijn worden betaald binnen hersteltermijn
UPC CoA 10 september 2026, IEF 23901; IEFbe 4340; UPC-CoA-97/2026 (Dainese tegen Alpinestars). In deze zaak tussen Dainese enerzijds en Alpinestars en Motocard anderzijds staat de ontvankelijkheid van het hoger beroep centraal. Dainese had op 19 juni 2026 hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de Local Division Milan. De beroepstermijn liep af op 22 juni 2026. Het griffierecht werd echter pas na een uitnodiging van de Registry betaald; de betaalopdracht dateerde van 29 juni 2026. Alpinestars en Motocard stelden daarom dat het hoger beroep niet tijdig was ingesteld en niet-ontvankelijk moest worden verklaard.
EUIPO beoordeelt gebruik e.plus voor telecommunicatiediensten ten onrechte als onvoldoende
Gerecht EU 30 september 2026, IEF 23905; IEFbe 4343; ECLI:EU:T:2026:614 (e plus). ePlus Inc. had verzocht om vervallenverklaring van het Uniemerk e.plus van Telefónica Germany wegens het ontbreken van normaal gebruik in de zin van artikel 58 lid 1 onder a UMVo. De nietigheidsafdeling verklaarde het merk vervallen voor alle betrokken waren en diensten en de kamer van beroep liet die beslissing in stand. In beroep beperkte Telefónica haar vordering tot de telecommunicatiediensten in klasse 38. Het Gerecht stelt voorop dat bij de beoordeling van normaal gebruik alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen en dat verschillende bewijsstukken gezamenlijk kunnen aantonen dat van normaal gebruik sprake is. De relevante periode liep van 10 november 2017 tot en met 9 november 2022. De kamer van beroep had haar beoordeling in de bestreden beslissing echter beperkt tot de aard van het gebruik en geoordeeld dat niet was aangetoond dat e.plus in die periode werd gebruikt voor de betrokken telecommunicatiediensten. Geplakte markdown
Oppositie op basis van ouder niet-ingeschreven teken faalt wegens onvoldoende bewijs van gebruik in het economisch verkeer en meer dan plaatselijke betekenis
Gerecht EU 30 september 2026, IEF 23904; IEFbe 4342; ECLI:EU:T:2026:611 (PROVIDENTIAE MEMOR). Freie Sachsen had oppositie ingesteld tegen de inschrijving van het aangevraagde Uniebééldmerk PROVIDENTIAE MEMOR voor “politieke diensten” in klasse 45. De oppositie was gebaseerd op een ouder niet-ingeschreven teken en op artikel 8 lid 4 van Verordening (EU) 2017/1001, gelezen in samenhang met § 5 MarkenG. Nadat zowel de oppositieafdeling als de kamer van beroep van het EUIPO de oppositie hadden afgewezen, stelde Freie Sachsen beroep in bij het Gerecht. Het Gerecht benadrukt dat artikel 8 lid 4 UMVo vier cumulatieve voorwaarden stelt: het oudere teken moet in het economisch verkeer worden gebruikt, van meer dan slechts plaatselijke betekenis zijn, naar het toepasselijke nationale recht vóór de datum van de Uniemerkaanvraag zijn verkregen en de houder ervan het recht geven het gebruik van een jonger merk te verbieden. De eerste twee voorwaarden worden autonoom naar Unierecht beoordeeld. Gebruik in het economisch verkeer vereist dat het teken wordt gebruikt in het kader van een commerciële activiteit die op economisch voordeel is gericht. Bij de beoordeling of het teken van meer dan slechts plaatselijke betekenis is, moet zowel rekening worden gehouden met de geografische omvang als met de economische betekenis van het gebruik, waaronder de duur, intensiteit en verspreiding ervan.
UPC CoA: bevestigt nietigheid HUROM-octrooi en verduidelijkt regels voor octrooiwijziging en Poolse inbreuk
UPC CoA 28 augustus 2026, IEF 23896; IEFbe 4339; UPC-CoA-678/2026 (Hurom tegen NUC). In deze zaak tussen HUROM enerzijds en NUC en WARMCOOK anderzijds staat een Europees octrooi voor een sapextractiemodule voor slowjuicers centraal. HUROM stelde dat verschillende Kuvings-slowjuicers inbreuk maakten op EP 3 155 936 en vorderde voor de Local Division Parijs onder meer een verbod voor Frankrijk, Duitsland, Italië, Nederland en Polen. NUC en WARMCOOK stelden een reconventionele nietigheidsvordering in. De Local Division herriep de relevante delen van het octrooi wegens gebrek aan inventiviteit en wees de inbreukvorderingen af. Het Hof van Beroep bevestigt dat een verzoek tot wijziging van een octrooi op grond van R. 30.1 RoP voor de ontvankelijkheid slechts hoeft te bevatten waarom de wijzigingen volgens de octrooihouder voldoen aan art. 84 en 123 lid 2 en 3 EOV. Bij de ontvankelijkheid wordt niet beoordeeld of die toelichting ook overtuigend is; dat behoort tot de inhoudelijke beoordeling van de geldigheid van het gewijzigde octrooi. HUROM had aan deze formele eis voldaan, zodat haar New Main Request ontvankelijk is.
De mokerslag voor big tech van het Hof van Justitie
Op 29 oktober staan “kennis en controle” centraal tijdens het Benelux Merkencongres. We gaan het hebben over de mokerslag voor big tech van het Hof van Justitie. Christiaan Alberdingk Thijm (bureau Brandeis) bespreekt hoe het Hof de vrijhavens beetje bij beetje vernietigde, via Russmedia, Coyote naar Agcom. Ook de recente uitspraak van de rechtbank Frankfurt zal hij bespreken.
Hij gaat in op de betekenis van de nieuwe koers van het Hof voor de Nederlandse praktijk. Welke arresten kunnen naar de schroothoop? En hoe dit te plaatsen in de geopolitieke context?
Het Benelux Merkencongres staat onder leiding van Martin Senftleben en Tobias Cohen Jehoram. Dit jaar opnieuw in de De Burcht van Berlage, in de, volgens Alberdingk Thijm, mooiste straat van Amsterdam: de Henri Polaklaan 9.
Meer informatie over de rest van het programma vindt u hier.
Prejudiciële vragen gesteld over doorgifte aan de Amerikaanse belastingdienst
Prejudiciële vragen gesteld aan HvJ EU 10 december 2025, IT 5547; IEFbe 4336; C-804/25 (Autorite de protection des donnees) via MinBuza. Een Amerikaan (hierna: JC) en de Belgische vereniging "Accidental Americans Association of Belgium" hebben een klacht tegen de Belgische staat ingediend bij de Belgische Gegevensbeschermingsautoriteit over de doorgifte van persoonsgegevens aan de Amerikaanse belastingdienst (IRS) krachtens het FATCA-akkoord. De Gegevensbeschermingsautoriteit stelde vast dat er meerdere schendingen van de AVG waren, waaronder het ontbreken van een gegevensbeschermingseffectbeoordeling en onvoldoende informatievoorziening aan betrokkenen, en legde een nalevingsbevel op. De Belgische staat heeft tegen het besluit van de Gegevensbeschermingsautoriteit beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. De verwijzende rechter vraagt het Hof om uitleg van het Unierecht teneinde te kunnen beoordelen of het FATCA-akkoord verenigbaar is met richtlijn 95/46/EG, de AVG en de artikelen 7, 8 en 52 van het Handvest.
UPC CoA: Keysight krijgt herstel in rechten na gemiste beroepstermijn
UPC CoA 28 september 2026, IEF 23895; IEFbe 4338; UPC-CoA-126/2026 (Keysight tegen Centripetal). In deze zaak tussen Keysight en Centripetal staat de vraag centraal of Keysight herstel in rechten kan krijgen nadat zij niet tijdig beroep had ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op haar voorwaardelijke reconventionele nietigheidsvordering. Centripetal had een inbreukvordering ingesteld tegen Keysight met betrekking tot EP 3 821 580. Keysight stelde daarop een reconventionele nietigheidsvordering in, onder de voorwaarde dat de rechter eerst inbreuk zou aannemen. De Local Division Mannheim oordeelde dat geen sprake was van inbreuk en kwam daarom niet toe aan de nietigheidsvordering. Centripetal stelde hoger beroep in tegen het oordeel dat geen sprake was van inbreuk. Pas nadat het Hof van Beroep in Emboline/AorticLab had verduidelijkt hoe een partij in een dergelijke situatie moet handelen, stelde Keysight zelf beroep in en verzocht zij om herstel in rechten. Volgens het Hof van Beroep was het vóór die verduidelijking niet evident dat een partij die een voorwaardelijke nietigheidsvordering had ingesteld voldoende belang had om zelf beroep in te stellen tegen het uitblijven van een beslissing daarop.
RvS stelt prejudiciële vragen over voedingssupplementen, geneesmiddelen en medische claims in online reviews
Raad van State 25 maart 2026, RB 4151; LS&R 2473; IEFbe 4337; ECLI:NL:RVS:2026:1651 ([appellanten] tegen de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport). In deze zaken tussen de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en verschillende online verkopers staat de vraag centraal wanneer een als voedingssupplement verkocht product moet worden aangemerkt als geneesmiddel naar aandiening. De NVWA constateerde dat de verkopers verschillende producten op hun websites presenteerden met uitingen over onder meer pijn, gewrichten, verkoudheid, griep en het coronavirus. De minister legde daarop boetes op wegens het zonder handelsvergunning te koop aanbieden van geneesmiddelen en het maken van reclame voor geneesmiddelen zonder handelsvergunning.
Prejudiciële vragen gesteld over de Etias-verordening
Prejudicële vragen gesteld aan HvJ EU 4 december 2025, IT 5546; IEFbe 4335; C-846/25 (Ligue des droits humains) via MinBuza. Ligue des droits humains (hierna: verzoeker) heeft in 2024 een beroep ingesteld bij het Grondwettelijke Hof tot vernietiging van een wet betreffende de oprichting en organisatie van de opdrachten van ETIAS Nationale Eenheid (hierna: E.N.E). De wet regelt onder meer de verwerking van persoonsgegevens in het kader van reisautorisaties binnen de EU, risicobeoordelingen, het gebruik van het ETIAS-informatiesysteem, en de procedures rond het intrekken en annuleren van reisautorisaties. Verzoeker stelt dat de combinatie van het beheren van veiligheidsrisico's en het beheer van de grenzen leidt tot een strafbaarstelling van migratie, wat een onevenredige inbreuk op de grondrechten (zoals het recht op privacy en gegevensbescherming) inhoudt. Volgens verzoeker zou artikel 3, lid 1, punt 6, van de ETIAS-verordening een te ruime en onvoldoende nauwkeurige definitie van "veiligheidsrisico" geven. De Ministerraad verdedigt de wet en stelt dat het kritiek gericht is tegen de bewoording van de ETIAS-verordening zelf, waarover het Grondwettelijk Hof niet bevoegd is te oordelen, en dat de wet voldoende waarborgen en regelingen bevat die in overeenstemming zijn met de Grondwet en internationale normen. In het kader van dit beroep rijst voor het Grondwettelijk Hof de vraag of de nationale wet, die uitvoering geeft aan de ETIAS-verordening, voldoende nauwkeurig is omschreven en verenigbaar is met het Unierecht.