DOSSIERS
Alle dossiers

Mediarecht - Droit des médias  

IEFBE 1309

Het woord 'NIEUW' zet aan tot consumptie

VRM 12 januari 2015, IEFbe 1309 (VTM en Cote d'Or)
Mediarecht. Sponsorboodschap. Reclame. Tijdens de controle zendt VTM een sponsorboodschap uit voor Côte d’Or. De sponsorboodschap toont het product en de verpakking van het product. Op de verpakking in de spot wordt het woord ‘NIEUW’ vergroot, in duidelijk leesbare letters weergegeven. De decreetgever heeft een onderscheid gemaakt tussen sponsorboodschappen enerzijds en reclameboodschappen anderzijds. Zo mag een sponsorvermelding, in tegenstelling tot een reclameboodschap, geenszins aanzetten tot consumptie. De VRM stelt vast dat de sponsorboodschap van Côte d’Or veel meer bevat dan de toegelaten louter imago-ondersteunende slogan. De sponsorvermeldingen bevatten promotionele elementen die aanzetten tot consumptie, in de vorm van het specifieke woordgebruik ‘NIEUW’. De VRM besluit VTM hiervoor een administratieve geldboete van 2.500 euro op te leggen. Medialaan erkent dat op commerciële communicatie voor suikerhoudend snoepgoed (zoals in het geval van de sponsorvermelding van Côte d’Or) een gestileerd logo van een tandenborstel moet worden opgenomen. Medialaan stelt eveneens maatregelen te hebben genomen om dit soort zaken in de toekomst te vermijden. De VRM geeft Medialaan een waarschuwing voor deze inbreuk.

De beoordeling:

10.1.1 De decreetgever heeft een onderscheid willen maken tussen een sponsorvermelding en een reclameboodschap, die allebei vormen van commerciële communicatie zijn. Dit onderscheid wordt in de parlementaire voorbereiding als volgt verduidelijkt : “Verder is het vanzelfsprekend dat een sponsorvermelding moet voldoen aan artikel 2, 16°, van de mediadecreten, waarin het beoogde doel en de andere elementen van sponsoring worden omschreven. Het onderscheidende criterium is dan ook de boodschap, en niet de vorm, van de sponsorvermelding. Zo kan een sponsorvermelding, in tegenstelling tot een reclameboodschap, geenszins aanzetten tot consumptie. Een louter imago-ondersteunende slogan of baseline van de sponsor voldoet aan artikel 2, 16°, omdat deze niet aanzet tot consumptie.” (Parl. St., Vl. Parl., 2006-2007, nr. 1218/4, 3). Uit de memorie van toelichting bij het decreet van 27 maart 2009 betreffende radio-omroep en televisie blijkt dat de wetgever ervoor gekozen heeft om de bepalingen over sponsoring zoveel mogelijk ongewijzigd te laten ten opzichte van de vorige bepalingen van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 4 maart 2005. De decreetgever herhaalt het principe : “Zo kan een sponsorvermelding, in tegenstelling tot een reclameboodschap, geenszins aanzetten tot consumptie. Een louter imagoondersteunende slogan of baseline van de sponsor of van zijn producten of diensten, is toegestaan in de sponsorvermelding, omdat deze niet aanzet tot consumptie.” (Parl.St. , Vl. Parl., 2008-2009, nr. 2014/1, 39).

Door het specifieke woordgebruik ‘nieuw’ bevat de sponsorvermelding in dit geval een promotioneel element dat precies wel aanzet tot consumptie. Door het woord ‘nieuw’ te gebruiken, doet een sponsor meer dan de kijker inlichten over een nieuw product. Het idee wordt gesuggereerd, het voorstel wordt gedaan om bij een volgend winkelbezoek dat product van de sponsor eens uit te proberen. Door een product in een sponsorvermelding te tonen zonder het woord ‘nieuw’ te gebruiken, geeft een sponsor toch bekendheid aan een nieuw product. Bekendheid geven aan een product of een merk gebeurt precies door het merk of product aan de kijker te tonen. Bovendien heeft de sponsor in dit geval wijzigingen in de sponsorvermelding aangebracht aan de originele verpakking, zoals die in de handel verkrijgbaar is. Zo is onder meer het letterkarakter van het woord ‘nieuw’ vergroot waardoor die vermelding in de spot extra geaccentueerd wordt.

Om al deze redenen is de VRM van oordeel dat de sponsorvermelding voor ‘Côte d’Or’ aanzet tot consumptie door het gebruik van het woord ‘nieuw’ en dat dergelijk woordgebruik niet kan worden beschouwd als een louter imagoondersteunende boodschap van een sponsor, waardoor de spot in kwestie meer doet dan louter merkbekendheid nastreven. Daardoor is dan ook niet voldaan aan de bepalingen van artikel 2, 41°, van het Mediadecreet.

10.1.2. Bij het bepalen van de sanctie houdt de VRM rekening met de ernst van de inbreuk, de reikwijdte van de omroeporganisatie en een eerdere veroordeling. Daarom is een administratieve geldboete van 2500 euro een gepaste sanctie.

10.2.1. Uit het onderzoek blijkt dat Medialaan erkent dat het logo van een gestileerde tandenborstel ten onrechte ontbreekt bij de uitzending van de spot ‘Côte d’Or’, die commerciële communicatie omvat over suikerhoudend snoepgoed. 10.2.2. Bij het bepalen van de sanctie houdt de VRM rekening met het feit dat Medialaan inmiddels maatregelen heeft genomen om dergelijke inbreuken in de toekomst te vermijden. Bovendien valt Medialaan met deze inbreuk niet in herhaling met vroegere soortgelijke inbreuken. Daarom is een waarschuwing een gepaste sanctie.

IEFBE 1289

Compétence des Tribunaux français pour juger des conflits entre Facebook et ses utilisateurs

Contributions envoyée par Camille Rideau, Spiegeler avocat. De la compétence territoriale des juges français en matière de droit de la consommation. L’origine du monde – c’est le titre du tableau de Gustave Courbet qu’un professeur d’histoire, amateur d’art, avait posté sur son mur Facebook. Jugeant ce tableau choquant, le réseau social décida de fermer le compte de cet utilisateur. Celui-ci assigna donc la société Facebook France considérant que cette décision était attentatoire à sa liberté d’expression. Par le jeu d’interventions forcées les sociétés Facebook UK Ltd et Facebook Inc sont également intervenues devant le Tribunal de Grande Instance de Paris.

Or la société Facebook Inc. demande dans ses conclusions de “Déclarer le TGI de Paris incompétent pour statuer sur le présent litige au profit des juridictions de l’Etat de Californie et renvoyer Monsieur X. à mieux se pourvoir”.

En effet, les conditions générales de Facebook, acceptées par tout créateur de compte, stipulent que toutes les actions à l’encontre de Facebook doivent être portées devant une des deux juridictions exclusivement compétentes à savoir le Tribunal du district nord de Californie ou le Tribunal de San Mateo County.

Dans son ordonnance en date du 5 mars 2015[1. TGI de Paris, 4e chambre – 2e section, ordonnance du juge de la mise en état du 5 mars 2015, Frédéric X c. Facebook Inc], le juge parisien a affirmé tout d’abord que le contrat reliant l’utilisateur à Facebook doit se voir qualifier de contrat d’adhésion relevant du droit de la consommation du fait des bénéfices qu’en retire le réseau social et de l’absence de lien avec l’activité professionnel de Mr X.

Cette ordonnance est l’occasion de faire ici un bref rappel sur la légalité des clauses dérogeant à la compétence territoriale des tribunaux dans le cadre d’un contrat de consommation.

Un principe
La juridiction territorialement compétente en droit français est celle du lieu ou demeure le défendeur (sauf disposition contraire comme la possibilité de choisir également en matière contractuelle le lieu de la livraison effective ou de l’exécution de la prestation de service et en matière délictuelle le lieu du fait dommageable).

Une exception limitée
En vertu de l’article 48 du Code de procédure civile les clauses qui dérogent directement ou indirectement aux règles de compétence territoriale ne sont valables qu’entre personnes ayant contractées en qualité de commerçant. Cependant cet article ne vise que les règles de compétence interne (au sein du territoire français) et n’est pas, comme le rappelle l’ordonnance ici commentée, applicable dans les litiges internationaux.

Des encadrements

En matière de droit de la consommation plusieurs règles limitent la validité des clauses attributives de compétence du fait du principe de protection de la partie faible.

Le droit de l’Union européenne protège les consommateurs. Ainsi le règlement de l’Union européenne n°1215/2012 (remplaçant le règlement n°144/2001 dit Bruxelles 1 sur la compétence judiciaire en matière civile et commerciale) interdit dans son article 19 de déroger aux règles de compétence en matière de droit de la consommation par le biais de clause antérieure à tout litige.

En droit français deux mécanismes permettent de protéger les consommateurs:
– Les règles de compétence territoriales dites impératives comme par exemple la prohibition des clauses attributives de compétence en matière de démarchage à domicile.
– L’article L.132-1 du Code de la consommation qui interdit les clauses abusives et qui est d’ordre public et plus précisément l’article R-132-2 du même code qui présume abusives les clauses ayant pour objet ou pour effet « de supprimer ou d’entraver l’exercice d’actions en justice ou des voies de recours par le consommateur”.

La clause litigieuse étant incluse dans un contrat d’adhésion et rendant plus complexe pour un utilisateur français d’exercer une action en justice à l’encontre de Facebook est donc sans grande surprise écartée du fait de son caractère abusif[2 Cette décision va dans le sens de l’arrêt de la Cour d’appel de Pau de mars 2012 ayant écarté l’application de cette clause estimant que l’internaute ne s’était pas engagé en pleine connaissance de cause].

Détermination de la compétence en cas de litige international
Le juge analyse donc sa compétence au regard des articles 4 du Règlement n°44/2000 du 22 décembre 2000 renvoyant la décision de la compétence à l’application de la loi de l’État membre saisi quand le défendeur est domicilié dans un État tiers.

Or l’article L.141-5 du Code de la consommation prévoit quant à lui que « le consommateur peut saisir à son choix, outre l’une des juridictions territorialement compétentes en vertu du code de procédure civile, la juridiction du lieu où il demeurait au moment de la conclusion du contrat ou de la survenance du fait dommageable ».

Au regard de ces dispositions, le Tribunal de Grande Instance de Paris se déclare compétent pour statuer sur le litige introduit par Monsieur Frédéric X. à l’encontre de la société Facebook Inc, sans qu’il ne soit nécessaire d’entrer plus avant dans l’argumentation des parties.

L’origine du monde – c’est donc également la fin pour la société Facebook Inc. de la possibilité d’invoquer l’incompétence des juges européens dans ses litiges avec les utilisateurs.

Camille Rideau

IEFBE 1264

Toestemming voor publicatie foto van grootouders

RvdJ 12 maart 2015, IEFbe 1264 (Foto kinderen in Dag Allemaal)
De publicatie van een foto van de minderjarige kleinkinderen van de geïnterviewden is geoorloofd gezien de toestemming van de grootouders om de foto te publiceren en gezien de positieve manier waarop de kinderen in het artikel aan bod komen.

RvdJ 12 maart 2015, IEFbe 1264 (adressen van mensen die op huisnummer 30 wonen)
Het artikel is een correcte weergave van het interview, adresgegevens kunnen in dit geval weergegeven worden en er is geen noodzaak om voorinzage te geven of een rechtzetting te publiceren.

De Raad stelt vast dat Rita Verbeeck en Willy Verbiest, de grootouders van de kinderen op de foto, de betrokken foto zelf aan de journalist hebben gegeven, en dat ze toestemming gegeven hebben om de foto te publiceren. Rekening houdend met de positieve manier waarop Rita Verbeeck en Willy Verbiest vertelden over hun kinderen en kleinkinderen, had de journalist geen redenen om aan te nemen dat de ouders bezwaar zouden kunnen maken tegen de publicatie van de foto. De manier waarop de kinderen in het artikel aan bod komen is positief en alledaags. Rekening houdend met die context en met de toestemming van de grootouders om de foto te publiceren, is de Raad van oordeel dat de publicatie van de foto gerechtvaardigd was.

Adresgegevens:

De Raad begrijpt dat klagers verrast zijn door het uiteindelijke artikel, maar stelt vast dat het artikel een correcte weergave is van het interview, inclusief de uitspraken van klagers over hun ex-partners en over feitelijke gegevens zoals hun vakantieperiode. De Raad is van oordeel dat de publicatie van de adresgegevens van klagers in dit geval niet ongepast is, gezien het vooropgezette format van mensen die op huisnummer 30 wonen. De Raad is ten slotte van mening dat er geen noodzaak was om voorinzage te geven in het artikel, aangezien daarover geen afspraken werden gemaakt, en dat er - rekening houdend met voorgaande overwegingen - evenmin noodzaak was om achteraf een rechtzetting te publiceren.
IEFBE 1263

Correcte samenvatting studierapport over Marokkanse en Turkse vrouwen

RvdJ 12 maart 2015, IEFbe 1263 (Boujdaine tegen De Morgen)
Klacht ongegrond. Het artikel [70% Vlaamse vrouwen vs 30% Marokkaanse en Turkse vrouwen
heeft een job] is een correcte samenvatting en weergave van een studierapport en er is geen sprake van stereotypering of discriminatie ten aanzien van Marokkaanse of Turkse vrouwen.

De Raad stelt vast dat het artikel de cijfers, gegevens en interpretaties van de Socioeconomische monitoring van de FOD Werkgelegenheid en het Interfederaal Gelijkekansencetrum correct samenvat en weergeeft, en op die manier voldoet aan art. 1 en 3 van de code, die stellen dat de journalist waarheidsgetrouw bericht en geen essentiële informatie verdraait of schrapt.
De Raad is ook van oordeel dat het artikel het streven naar arbeidsparticipatie positief benadert en dat er geen sprake is van stereotypering of discriminatie ten aanzien Marokkaanse en Turkse vrouwen. Dat de inhoud van het artikel confronterend kan overkomen, heeft te maken met de gegevens die erin beschreven worden, en niet met de journalistieke benadering ervan. Het artikel houdt bijgevolg geen schending in van artikel 27 van de code dat stelt dat de journalist stereotypering vermijdt en niet aanzet tot discriminatie.
De artikels 15 en 24 van de code, waarnaar klaagster verwijst, zijn niet van toepassing.
IEFBE 1252

Condamner pour diffamation l’auteur d’un roman relatant des drames familiaux n’a pas enfreint sa liberté d’expression

Cour. Eur. D.H. 12 mars 2015, IEFbe 1252, requête 25790/11 (Le Palais des mouches)
Droit des médias. Communiqué de presse: L’affaire concernait la condamnation pénale de Mme Fernandes pour diffamation à l’encontre de divers membres de sa belle-famille, suite à la publication d’un roman racontant les drames familiaux dans le contexte de la diaspora portugaise aux États-Unis et de la guerre coloniale. La Cour a considéré avec les juridictions portugaises que Mme Fernandes avait dépassé les limites de sa liberté de création artistique en méconnaissant le droit des membres de sa belle-famille au respect de leur vie privée, en raison de certains faits racontés et jugements de valeur formulés. Elle a notamment estimé que la marge d’appréciation dont disposaient les autorités pour juger de la « nécessité » de la sanction prononcée contre Mme Fernandes était large puisque les personnes visées n’étaient pas de notoriété publique.

EHRM 12 maart 2015, IEF 14754, verzoek 25790/11 (Le Palais des mouches)
Lees hier het persbericht. Mediarecht. Vrijheid van meningsuiting. Privéleven. De zaak betrof de strafrechtelijke veroordeling van mevrouw Fernandes wegens smaad tegen verschillende schoonfamilieleden, na de publicatie van een roman getiteld "Le Palace des mouches" (=het vliegenpaleis) over familiedrama's in het kader van de Portugese diaspora in de Verenigde Staten en de koloniale oorlog. Het Hof acht dat het Portugese gerecht met mevrouw Fernandes had de grenzen van zijn vrijheid van artistieke creatie overschreden door het negeren van het recht van de familieleden van zijn vrouw, namelijk het respect voor het privéleven, door bepaalde feiten te vertellen en waardeoordelen te geven. In het bijzonder heeft het geoordeeld dat de beoordelingsvrijheid de autoriteiten om de "noodzaak" van de sanctie te beoordelen tegen Ms. Fernandes groot was, omdat betrokken personen geen publieke figuren zijn.

52.  La Cour observe que l’œuvre litigieuse raconte l’histoire d’une famille, avec ses drames et ses conflits dans le contexte de la diaspora portugaise aux États-Unis et de la guerre coloniale. Elle note ensuite que les personnes visées sont connues dans leur milieu, notamment dans la ville de Torre de Moncorvo, mais ne sont pas de notoriété publique. La marge d’appréciation dont disposaient les autorités pour juger de la « nécessité » de la sanction prononcée contre les requérants était en conséquence large (voir, a contrario Lindon, Otchakovsky-Laurens et July c. France, précité, § 48 ; Mamère c. France, no 12697/03, § 20, CEDH 2006‑XIII ; Steel et Morris c. Royaume-Uni, no 68416/01, §§ 88-89, CEDH 2005‑II).

55. Mettant en balance les intérêts divergents en jeu, le tribunal a conclu que la requérante avait dépassé les limites de sa liberté de création artistique en méconnaissant le droit des plaignants au respect de leur vie privée, étant donné certains des faits racontés et des jugements de valeur formulés au sujet de ces derniers et de deux membres défunts de leur famille (voir ci-dessus paragraphe 24).
56. La cour d’appel de Porto a intégralement confirmé ces considérations dans son arrêt du 27 octobre 2010 (voir ci-dessus paragraphe 27), réitérant l’orientation prise dans celui qu’elle avait rendu le 11 mars 2009 (voir ci-dessus paragraphe 20).
57. La Cour observe que les juridictions internes ont toujours cherché à mettre en balance, d’une part, le droit de la requérante à la liberté d’expression et, d’autre part, le droit des plaignants au respect de leur vie privée. Elle estime que la condamnation prononcée en l’espèce est fondée sur des motifs pertinents et suffisants, et ne voit aucune raison de s’écarter de l’analyse à laquelle ont procédé les juridictions internes, ou de considérer que celles-ci ont entendu trop restrictivement le principe de la liberté d’expression ou de façon trop extensive l’objectif de protection de la réputation et des droits d’autrui. En outre, les motifs énoncés par les tribunaux nationaux à l’appui de leurs conclusions respectent les critères suivis par la Cour dans ce type d’affaires (voir, notamment, Lindon, Otchakovsky-Laurens et July c. France, précité, §§ 48-60 ; Chauvy et autres c. France, précité, § 77).

IEFBE 1244

EHRM oordeelt voor het eerst over gebruik verborgen camera

EHRM 24 februari 2015, IEFbe 1244; verzoek 21830/09 (Haldimann e.a. tegen Zwitserland)
Een bijdrage van Jens van den Brink, Kennedy Van der Laan. Mediarecht. Ulrich Haldimann en drie andere Zwitserse journalisten hebben voor het consumentenprogramma ‘Kassensturz’ een item gemaakt over verzekeringsagenten. Om het wangedrag van verzekeringsadviseurs aan de kaak te stellen is met een verborgen camera een gesprek opgenomen tussen een redacteur die zich voordeed als klant, en een verzekeringsagent. Aan het einde van de opname volgde een confrontatie met een andere redacteur die vanuit een aangrenzende kamer had meegeluisterd. De beelden werden vervolgens uitgezonden. Gezicht en stem van de agent werden in de uitzending vervormd.
Lees verder

IEFBE 1231

La Cour d'appel de Liège se prononce en matière de cardsharing

Cour d'appel de Liège 23 février 2015, IEFbe 1231 (Cardsharing)
Jugement envoyée par Quentin Declève et Peter L'Ecluse et resumé par Thibaut D'hulst, Van Bael & Bellis. Droit d'auteur. Accès conditionel. Le 23 février 2015, la Cour d'appel de Liège a rendu un arrêt en matière de piratage informatique dans le domaine de la télévision payante par satellite; à savoir la pratique dite du "partage de carte" ou de "cardsharing". La pratique du cardsharing qui était reprochée dans le cas d'espèce consistait, pour les pirates informatiques, à contourner les systèmes de protection des signaux satellites afin de permettre à leurs clients de visionner des services audiovisuels sans que ces derniers n'aient fait l'acquisition d'un abonnement auprès d'opérateurs officiels. Ces clients rétribuaient ensuite aux pirates informatiques un montant moindre que celui de l’abonnement officiel sans qu’à aucun moment ces sommes ne bénéficient aux opérateurs officiels de chaines de télévision payantes.

L'arrêt rendu par la Cour d'appel de Liège fournit une description détaillée de la pratique de cardsharing ainsi qu'une analyse approfondie du cadre légal permettant de sanctionner une telle pratique. Cet arrêt conclut que l’opérateur du système de cardsharing a mis en place un dispositif illicite au sens des dispositions décrétales transposant la Directive 98/84/CE concernant la protection juridique des services à accès conditionnel et des services d'accès conditionnel. En outre, la Cour d’appel a considéré que le système mis en place par les pirates informatique avait contourné des mesures techniques efficaces destinées à empêcher les actes non autorisés, pénalisés par les articles 79bis et suivants de la loi du 30 juin 1994.

IEFBE 1228

Quote overplakken met "Dit boek bevat onjuistheden"

Voorz. Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen 30 oktober 2014, IEFbe 1228 (Eisers tegen WPG Uitgevers)
Uitspraak aangebracht door Willem De Vos, Monard-D'Hulst. Mediarecht. Rectificatie toegewezen. Eiser heeft een boek geschreven over een periode van het leven van acteur SCHOENAERTS. Op de cover staat foto de acteur met een quote van eisende partij: "Mijn vader was een vijs kwijt, maar het was de juiste vijs". De Voorzitter bepaalt dat deze op de cover en op de eerste bladzijde van elke toekomstige uitgave (incl. vertaling of E-book) van deze quote is ontdaan en in plaats daarvan de waarschuwing "Dit boek bevat onjuistheden" te plaatsen. De bestaand boeken die nog te koop worden aangeboden moet de quote worden overgeplakt met eenzelfde rectificatie. Verweerders mogen gewraakte passages over de loketscène niet publiekelijk gebruik in interviews, lezingen of theatervoorstellingen.

4.3. Eisende partijen benadrukken dat zij geen verbod tot exploitatie vorderen maar wel hoogstnoodzakelijke rectificatiemaatregelen.
(...) Sedert het opstarten van de procedure wil eerste verwerende partij benadrukken dat het hier om literaire non fictie gaat en dat derhalve zijn journalistieke vrijheid dient gevrijwaard wijl de auteur onder meer zelf in zijn boek in het begin voorhoudt: 'Kleine oorzaak, grote gevolgen, alles echt waar, echt gebeurd' en op het einde in het 'Nawoord' toevoegt: 'Geen roman, geen verbeelding, niets verzonnen.'

De auteur kan niet ontkennen dat er met betrekking tot het waarheidsgehalte van het boek duidelijk verwarring is gezaaid nu zelfs de redactie van Knack het boek bestempeld als een biografie, zoals blijkt uit de vermelding op de achterflap.

Door in de aanheb van het boek te zeggen dat alles waar is en vervolgens te stellen: 'hoe kon ik alles weten als eisende partijen niet meewerkten' en vervolgens bij aangestipte onjuistheden zich te beroepen op artistieke vrijheid, heeft verwerende partij, als schrijver-journalist een dubieuze houding aangenomen die niet beantwoord aan de basiszorgvuldigdheidsnormen die elke schrijver van welk niveau ook minimaal dient te respecteren.
IEFBE 1216

Gerechtelijk onderzoek tegen gevangenisdirecteur is evident

RvdJ 12 februari 2015, IEFbe 1216 (Buts tegen VTM - Telefacts)
Het maatschappelijk belang van een gerechtelijk onderzoek tegen een gevangenisdirecteur wegens seksueel overschrijdend gedrag is evident. Een nieuw gerechtelijk onderzoek kan in verband gebracht worden met onderzoeken uit het verleden, juridische termen kunnen in gewone taal omschreven worden, er is loyaal wederhoor gegeven en de privacy is niet geschonden.

Het maatschappelijk belang van een gerechtelijk onderzoek tegen een gevangenisdirecteur wegens seksueel overschrijdend gedrag is evident. Tevens is het relevant om daarbij te verwijzen naar vroegere gerechtelijke onderzoeken over gelijkaardige feiten. Het is niet omdat klager in 1994 buiten vervolging werd gesteld en dat de klachten van 2004 geseponeerd werden, dat daarover niet meer bericht zou mogen worden, zeker niet als er een nieuw gelijkaardig onderzoek gevoerd wordt.
De journalist kan juridische termen omschrijven op een manier die voor een breed publiek toegankelijk en verstaanbaar is, al verdiende het de voorkeur om naast de zinsneden ‘naar de prullenmand verwijzen’ en ‘met een sisser aflopen’ de buitenvervolgingstelling ook expliciet te vermelden. Maar het niet expliciet gebruiken van de term ‘buitenvervolgingstelling’ is in dit geval, mee gezien de andere omschrijvingen, geen beroepsethische fout.

Gezien het onderwerp en de positie van de getuigen was het gerechtvaardigd en aangewezen om hen in de reportage te anonimiseren. De Raad ziet ook geen redenen om te betwijfelen dat de getuigen effectief bij de zaak betrokken waren

De journalist heeft klager, via een gesprek met zijn advocaat, een loyale kans op wederhoor gegeven. Of elk element uit de reportage aan de advocaat is voorgelegd, kan de Raad niet uitmaken, maar dat er een uitgebreid gesprek is geweest, wordt niet betwist. Het antwoord van de advocaat is loyaal weergegeven in Het Nieuws en Telefacts.

De Raad spreekt zich niet uit over de betwisting in verband met het recht van antwoord aangezien dat een juridische aangelegenheid is.

Ten slotte betekenen de reportages geen schending van de privacy aangezien ze gaan over gerechtelijke onderzoeken naar het professionele handelen van klager, wat van maatschappelijk belang is.
IEFBE 1215

RvdJ vind titel 'verkracht op tenniscourt' te affirmatief

RvdJ 12 februari 2015, IEFbe 1215 (Duyck tegen De Krant van West-Vlaanderen)
De titel 'Verkracht op het tenniscourt' is te affirmatief en strookt niet met de inhoud, er is geen loyale kans op wederhoor gegeven en de privacy is geschonden. De titel ‘Verkracht op het tenniscourt’ is, ondanks de combinatie met de ondertitel, te affirmatief geformuleerd. Hij strookt niet met de inhoud van het artikel en houdt onvoldoende rekening met het vermoeden van onschuld.

De journalist heeft klager geen loyale kans op wederhoor gegeven. De krant gaf klager de kans om te reageren na publicatie van het artikel. Maar aangezien het artikel, naast de feitelijke verslaggeving over de doorverwijzing naar de rechtbank, een aantal ernstige beschuldigingen bevat (‘de feiten zouden geen alleenstaand geval zijn’ en ‘er wordt gevreesd dat de tennisinstructeur misschien nog meer seksuele vergrijpen op zijn actief heeft’), was wederhoor vooraf aangewezen. Artikel 20 van de code bepaalt: ‘Wanneer een journalist in zijn berichtgeving zelf ernstige beschuldigingen uit, met name wanneer die de eer en de goede naam betreffen, is het aangewezen dat hij de betrokkene voor de publicatie contacteert en hem loyaal de kans biedt hierop te reageren’.

De vermelding van zijn initialen en woonplaats, in combinatie met de verwijzing naar de gemeente van de tennisclub, het feit dat klager ex-kinesist was bij Cercle Brugge, de naam en de plaats van het MPI waar hij werkte en zijn foto, weliswaar met een balkje voor de ogen, maakt klager identificeerbaar. Klager is op de foto ook niet voldoende onherkenbaar gemaakt.

De richtlijn bij artikel 23 van de code bepaalt in verband met verdachten: ‘Beperkte identificatie kan uitzonderlijk. De voornaam, de beginletter van de familienaam, de leeftijd en de woonplaats kunnen eventueel worden vermeld’. Klager is door de combinatie van de verschillende elementen herkenbaar en de krant kan niet aannemelijk maken dat herkenbaarheid in dit geval aangewezen of gerechtvaardigd was.

Ten slotte heeft de Raad geen redenen om aan te nemen dat de journalist of de krant klager bewust wilden treffen.