Reportage gevaar vliegtuigstrepen wijst op complottheorie
Raad voor de Journalistiek 10 april 2014, IEFbe 888 (Vereecke tegen VRT-Koppen)
Mediarecht. Klacht ongegrond. Klager is lid van de zogenaamde Belfortgroep, die in het verleden het gevaar van vliegtuigstrepen al enkele keren onder de publieke aandacht bracht. Voor een reportage over vliegtuigtuigstrepen komt hij hierover aan het woord. Een filosoof geeft in dezelfde reportage commentaar op het standpunt van klager. Klager stelt afspraken te hebben gemaakt per e-mail over de manier waarop het onderwerp zou worden behandeld en dat hij niet als gekke complotdenker gezien wil worden. Echter zou de VRT de voorwaarde die hij aan zijn medewerking had verbonden niet hebben nageleefd. De Raad verklaart de klacht ongegrond, omdat de e-mails geen afspraken zouden inhouden maar slecht een eenzijdige vraag, tevens zou klager voldoende gelegenheid hebben gehad om zijn standpunt toe te lichten, en ook te reageren op de ‘complotstelling' van een professor.
Klacht: Klager voert aan dat hij met de redactie van Koppen afgesproken heeft om mee te werken aan een reportage over vliegtuigstrepen onder één voorwaarde, namelijk dat de problematiek niet zou worden voorgesteld als een complottheorie. Hij moet nu echter vaststellen dat zowel in woordgebruik, in titelkeuze (‘Chemtrails: complot of niet?’), als bij de selectie van de geïnterviewden (professor Braeckman), alles in die sfeer is gepresenteerd en dat wie kritische bedenkingen heeft bij de vliegtuigstrepen werd voorgesteld als een geestesgestoorde.
Over de grond van de klacht
Uit de mailuitwisseling die partijen aan de Raad voor de Journalistiek hebben voorgelegd, blijkt niet dat klager en de redactie van Koppen afspraken hebben gemaakt over de manier waarop het onderwerp van de vliegtuigstrepen zou worden behandeld. Klager heeft weliswaar in twee mails voor de uitzending gevraagd dat dit niet ‘in de sfeer van (gekke) complottheorieën wordt opgediend’ of dat ‘wij als leden van een sekte worden voorgesteld’. Het betreft echter een eenzijdige vraag van klager en geen afspraak, wat een wederzijds akkoord zou impliceren. De VRT ontkent ten stelligste enige afspraak in die zin te hebben gemaakt. In de uitzending zijn de verschillende visies volgens de Raad op een evenwichtige manier aan bod gekomen. Klager heeft uitgebreid de kans gekregen om zijn standpunt toe te lichten, en ook te reageren op de ‘complotstelling van professor Braeckman. De keuze van professor Braeckman om de visie van klager in een context te plaatsen, kan worden verantwoord, gelet op zijn eerdere tussenkomsten hieromtrent.
Verzoekers zijn door de correctionele Rechtbank op 20 mei 2014 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor opzettelijke brandstichting bij hun buurvrouw. TV Oost heeft op 21 mei beelden van hun woning en straat genomen, waar vanuit ook een goeddraaiend communicatiekantoor met personeelsleden wordt gevoerd. TV Oost wordt verboden de aangekondigde reportage met beelden van de woning uit te zenden op straffe van een dwangsom van €10.000 per overtreding.
Mediarecht. Productplaatsing. De VRM controleerde de uitzendingen van Eén (29 januari 2014). In het programma '
Mediarecht. Reclamerecht. De VRM controleerde de uitzendingen van VIJF (27 december 2013, 17u-23u). De VRM stelde daarbij vast dat buiten het reclameblok een individuele spot werd uitgezonden (45 seconden). De spot is samengesteld uit verschillende fragmenten van films die via VIJF worden uitgezonden en ook verschillende fragmenten uit een bedrijfsfilm van Neuhaus (met beelden van gesmolten chocolade, geschenkdozen met pralines, close-up van praline met Neuhaus-monogram, ...). De spot eindigt met de auditieve boodschap: '
Mediarecht. Persvrijheid. Censuur. De rechter verbiedt VTM in het programma Telefacts een uitzending over het gerecht in Veurne. De reportage zou gaan om schandalen rondom een onderzoeksrechter die in verband wordt gebracht met corrupte praktijken zoals passieve omkoping en hij zou aan het hoofd staan van een netwerk dat invloed uitoefent op het bekomen van gunstige vonnissen. De rechter oordeelt dat de vrijheid van mening niet onbeperkt is en legt aan haar oordeel ten grondslag dat tussenkomst van de rechterlijke macht tot een verbod toegestaan kan worden wanneer de uiting een misdrijf uitmaakt. In casu zou dat neerkomen op laster en eerroof. De rechter verbiedt de uitzending onder een dwangsom van 200.000 euro per uitzending. Dit verzoekschrift is vlak voor de uitzending betekend.
Mediarecht. De kamer voor onpartijdigheid en bescherming van minderjarigen ontvingen twee klachten (PVDA+ en Piratenpartij) tegen "Doe de stemtest" (VRT). De klagers halen aan dat hun partijen worden uitgesloten van deelname aan "Doe de stemtest". De klagers menen daarbij dat artikel 39 van het Mediadecreet wordt geschonden. Wat het toezicht op artikel 39 van het Mediadecreet betreft, doet de VRM uitspraak naar aanleiding van klachten die op straffe van ontvankelijkheid uiterlijk de vijftiende dag na de uitzending van het programma is ingediend. Om aan de vereiste van de ontvankelijkheid te voldoen, moet de klager volgens het Procedurebesluit de datum van de uitzending van het programma aangeven met vermelding van de dag en het uur waarop de uitzending heeft plaatsgevonden. Aangezien "Doe de stemtest" (nog) niet als programma is uitgezonden, voldoen de klacht niet aan de gestelde voorwaarden uit het Procedurebesluit. De klachten worden dan ook kennelijk onontvankelijk verklaard.