DOSSIERS
Alle dossiers

Mediarecht - Droit des médias  

IEFBE 889

Berichtgeving Het Nieuwsblad en nieuwsblad.be bevat geen onjuistheden

RvdJ 13 maart 2014, IEFbe 889 (Beuselinck tegen Het Nieuwsblad en nieuwsblad.be)
Mediarecht. Klager werd vervolgd wegens stalking van een rechter en gerechtspsychiater. Hierover werd in Het Nieuwsblad en op nieuwsblad.be tweemaal kort bericht. Klager voert aan dat deze berichten onjuistheden bevatten. Zo werd in het eerste artikel bericht dat klager de rechter en psychiater gestalkt en bedreigd heeft, terwijl klager toen nog niet veroordeeld was. Ook in het tweede artikel stonden volgens hem fouten. Klager heeft daarover geprotesteerd bij de krant en de website en heeft de publicatie van een recht van antwoord geëist, maar dat werd hem geweigerd. Het Nieuwsblad en nieuwsblad.be voeren onder andere aan dat de gegevens over de feiten zijn gebaseerd op wat de procureur tijdens de rechtszaak had gezegd. De Raad stelt dat de klacht ongegrond is.

Beslissing
Klager heeft over een periode van meerdere jaren een rechter en een gerechtspsychiater benaderd met brieven die een zeer bedreigende toon hebben. Dat blijkt niet enkel uit de gegevens die tijdens de openbare rechtszitting bekend werden gemaakt en waarover Het Nieuwsblad en nieuwsblad.be hebben bericht, maar het wordt ook aangetoond door de kopieën van de brieven die klager zelf heeft bezorgd aan de Raad voor de Journalistiek. Er is dan ook geen reden om te concluderen dat Het Nieuwsblad en nieuwsblad.be foutief zouden hebben bericht over de twee zittingen van het proces tegen klager. De Raad voor de Journalistiek is niet bevoegd om zich uit te spreken over de juridische redenen waarom het recht van antwoord van klager niet is opgenomen. Uit de gegevens van de zaak blijkt niet dat het beroepsethisch vereist was om klager een weerwoord te bieden. De artikelen zijn niet onjuist en klager heeft in zijn reactie geen relevante gegevens aangebracht.
IEFBE 888

Reportage gevaar vliegtuigstrepen wijst op complottheorie

Raad voor de Journalistiek 10 april 2014, IEFbe 888 (Vereecke tegen VRT-Koppen)
Mediarecht. Klacht ongegrond. Klager is lid van de zogenaamde Belfortgroep, die in het verleden het gevaar van vliegtuigstrepen al enkele keren onder de publieke aandacht bracht. Voor een reportage over vliegtuigtuigstrepen komt hij hierover aan het woord. Een filosoof geeft in dezelfde reportage commentaar op het standpunt van klager. Klager stelt afspraken te hebben gemaakt per e-mail over de manier waarop het onderwerp zou worden behandeld en dat hij niet als gekke complotdenker gezien wil worden. Echter zou de VRT de voorwaarde die hij aan zijn medewerking had verbonden niet hebben nageleefd. De Raad verklaart de klacht ongegrond, omdat de e-mails geen afspraken zouden inhouden maar slecht een eenzijdige vraag, tevens zou klager voldoende gelegenheid hebben gehad om zijn standpunt toe te lichten, en ook te reageren op de ‘complotstelling' van een professor.

Klacht: Klager voert aan dat hij met de redactie van Koppen afgesproken heeft om mee te werken aan een reportage over vliegtuigstrepen onder één voorwaarde, namelijk dat de problematiek niet zou worden voorgesteld als een complottheorie. Hij moet nu echter vaststellen dat zowel in woordgebruik, in titelkeuze (‘Chemtrails: complot of niet?’), als bij de selectie van de geïnterviewden (professor Braeckman), alles in die sfeer is gepresenteerd en dat wie kritische bedenkingen heeft bij de vliegtuigstrepen werd voorgesteld als een geestesgestoorde.

Over de grond van de klacht
Uit de mailuitwisseling die partijen aan de Raad voor de Journalistiek hebben voorgelegd, blijkt niet dat klager en de redactie van Koppen afspraken hebben gemaakt over de manier waarop het onderwerp van de vliegtuigstrepen zou worden behandeld. Klager heeft weliswaar in twee mails voor de uitzending gevraagd dat dit niet ‘in de sfeer van (gekke) complottheorieën wordt opgediend’ of dat ‘wij als leden van een sekte worden voorgesteld’. Het betreft echter een eenzijdige vraag van klager en geen afspraak, wat een wederzijds akkoord zou impliceren. De VRT ontkent ten stelligste enige afspraak in die zin te hebben gemaakt. In de uitzending zijn de verschillende visies volgens de Raad op een evenwichtige manier aan bod gekomen. Klager heeft uitgebreid de kans gekregen om zijn standpunt toe te lichten, en ook te reageren op de ‘complotstelling van professor Braeckman. De keuze van professor Braeckman om de visie van klager in een context te plaatsen, kan worden verantwoord, gelet op zijn eerdere tussenkomsten hieromtrent.
IEFBE 885

Opname met verborgen camera magistratenbezoek aan tempel toegestaan

Raad voor de Journalistiek 19 juni 2014, IEFbe 885 (Mahieu tegen VRT)
Mediarecht. Verborgen camera toegestaan. Term mogelijke normvervaging. Klacht van toenmalig voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen. Aanleiding is een reportage in Het Journaal van 10 januari 2012 over het bezoek van een groep Antwerpse magistraten aan de Indiase Jaïntempel in Antwerpen. De reportage is gemaakt met verborgen camera en brengt verschillende magistraten herkenbaar in beeld. De reportage meldt ook dat het bezoek gepaard ging met een etentje dat volgens de eerste uitnodiging aangeboden werd door het Antwerp World Diamond Center, terwijl er verschillende gerechtelijke onderzoeken liepen tegen de diamantsector. In een duidend commentaar bij de betrokken reportage zegt journalist dat het woord corruptie op dit moment niet aan de orde is, maar dat je wel kan spreken van een mogelijke normvervaging.

Door met verborgen camera te werken, wekt de VRT de indruk dat magistratie criminele daden stelden. De VRT nam de beslissing om te werken met verborgen camera in overleg met de hoofdredactie en de deontologische adviesraad. De Raad is daarom van oordeel dat aan de voorwaarden voor verborgen opnames voldaan is. De term 'mogelijke normvervaging' wordt niet als beroepsethische fout beschouwd.

Klacht Klager zegt dat de reportage van de VRT zijn imago en het imago van de magistratuur in het algemeen schaadt. Door te werken met verborgen camera wekt de VRT de indruk dat de magistraten met hun bezoek criminele daden stelden en contact hadden met criminele diamantairs, terwijl het om een louter cultureel bezoek ging op uitnodiging van de Indiase consul-generaal.

Openlijke opname was niet mogelijk. Het bezoek zou immers anders verlopen zijn als de VRT toestemming voor opname gevraagd had. Ondanks eerdere toezegging werden de personen die in beeld kwamen niet onherkenbaar gemaakt, omdat het bezoek verliep in een professionele context.

1. Over het werken met een verborgen camera (...) Gelet op de gevoelige aard van het onderwerp, met name het feit dat er in dezelfde periode een groot onderzoek gevoerd werd naar fraude in de diamantsector, kon de VRT er vanuit gaan dat het bezoek anders zou verlopen zijn bij openlijke opname of indien er vooraf toestemming voor opname zou zijn gevraagd, en dat een vraag om toestemming bijgevolg weinig zin had.

Het bezoek van de magistraten aan de tempel werd mee georganiseerd door de rechtbank van eerste aanleg en gebeurde in een professionele context. Tegelijk had het scramblen van de beelden de indruk kunnen wekken dat de betrokkenen verdacht waren. Om die redenen was een uitzondering op het beginsel dat bij verborgen opnames betrokkenen niet identificeerbaar mogen zijn, volgens de Raad in dit geval verantwoord. Bovendien heeft de VRT op vraag van klager bij heruitzendingen de betrokkenen onherkenbaar gemaakt.

De VRT nam de beslissing om te werken met verborgen camera in overleg met de hoofdredactie en de deontologische adviesraad.

De Raad is daarom van oordeel dat aan de voorwaarden voor verborgen opnames, zoals omschreven in de richtlijn bij artikel 17 van de Code, voldaan is.

2. Over de bewering van ‘normvervaging’ De reportage over het tempelbezoek werd pas een maand na de feiten uitgezonden, niet in een Panorama-uitzending waarvoor ze oorspronkelijk bedoeld was, maar als een nieuwsitem, en werd uitdrukkelijk gekoppeld aan nieuwe berichtgeving over een huiszoeking bij het parket. In de commentaar bij het item over het tempelbezoek wordt weliswaar ontkend dat het tempelbezoek en de huiszoeking iets met elkaar te maken hebben. Maar door beide met elkaar in verband te brengen en daarbij de term ‘mogelijke normvervaging’ te gebruiken, wordt het tempelbezoek in een specifieke negatieve context geplaatst. Dit kan echter niet als een beroepsethische fout worden beschouwd.

IEFBE 841

TV Oost krijgt verbod op uitzenden beelden van woning/communicatiekantoor

Beschikking Voorz. Rechtbank van Eerste Aanleg Dendermonde  21 mei 2014, IEFbe 841 (BVBA Haisja tegen TV Oost)
Verzoekers zijn door de correctionele Rechtbank op 20 mei 2014 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor opzettelijke brandstichting bij hun buurvrouw. TV Oost heeft op 21 mei beelden van hun woning en straat genomen, waar vanuit ook een goeddraaiend communicatiekantoor met personeelsleden wordt gevoerd. TV Oost wordt verboden de aangekondigde reportage met beelden van de woning uit te zenden op straffe van een dwangsom van €10.000 per overtreding.

Uit het verzoekschrift: "De vordering is hoogdringend, vermits TV Oost de beelden zal gebruiken in haar nieuws van vandaag 21/05/2014 om 17u30, en daarna bij de herhalingen van het nieuws.
De volstrekte noodzakelijkheid van het instellen van de vordering bij verzoekschrift blijkt uit de omstandigheid dat een procedure op tegenspraak onmogelijk kan gevoerd worden vóóraleer de reportage en de beelden worden uitgezonden."
IEFBE 807

VRM legt VRT boete op van 5.000 euro

VRM algemene kamer 24 maart 2014, IEFbe 807 (tegen VRT)
Mediarecht. Productplaatsing. De VRM controleerde de uitzendingen van Eén (29 januari 2014). In het programma 'Volt' komt een item aan bod rond het toenemende succes van het thuis brouwen van bier. Televisiekok Sofie Dumont krijgt in het programma de opdracht een 'Voltbier' te brouwen. Ze doet hiervoor beroep op brouwerij 'Anders'. Na afronding van het brouwproces wordt het bier gedegusteerd en in de studio besproken met een bierkenner. De benaming, het logo en de producten van de brouwerij 'Anders' worden tijdens de bewuste uitzending meerdere malen in beeld gebracht (o.a. op spandoeken, bierglazen, ... al dan niet in close-up). De VRM meent dat deze verwijzingen een positieve houding van het publiek ten opzichte van de handelsnaam (brouwerij Anders) bevorderen. De VRM meent dan ook dat in deze sprake is van productplaatsing.

Het Mediadecreet laat productplaatsing toe, mits naleving van enkele voorwaarden. Zo moet de kijker duidelijk gewezen worden op de aanwezigheid van productplaatsing in het programma door het uitzenden van het PP-logo. Dit logo (waarvan de wijze van het gebruik werd vastgelegd in het besluit van de Vlaamse Regering van 10 september 2010) blijkt echter te ontbreken aan het begin en einde van het programma.

De VRM besluit dan ook de VRT een geldboete van 5.000 euro op te leggen. Bij het bepalen van de sanctie houdt de VRM rekening met de ernst van de inbreuk, de reikwijdte van de omroeporganisatie en de gemiddelde kijkcijfers van het desbetreffende programma.

IEFBE 783

VRM legt VIJF boete op van 30.000 euro

VRM algemene kamer 24 maart 2014, IEFbe 783; beslissingnr. 2014/011 (VRM tegen NV SBS Belgium)
Mediarecht. Reclamerecht. De VRM controleerde de uitzendingen van VIJF (27 december 2013, 17u-23u). De VRM stelde daarbij vast dat buiten het reclameblok een individuele spot werd uitgezonden (45 seconden). De spot is samengesteld uit verschillende fragmenten van films die via VIJF worden uitgezonden en ook verschillende fragmenten uit een bedrijfsfilm van Neuhaus (met beelden van gesmolten chocolade, geschenkdozen met pralines, close-up van praline met Neuhaus-monogram, ...). De spot eindigt met de auditieve boodschap: 'Schenk in stijl. Neuhaus'. De fragmenten die uit de bedrijfsfilm van Neuhaus afkomstig zijn en de vermeldingen nemen minstens 20 seconden in beslag van de totale duurtijd van 45 seconden.

Het Mediadecreet stelt dat reclame duidelijk herkenbaar moet zijn en moet kunnen worden onderscheiden van redactionele inhoud (programma's). Reclame moet aan de hand van visuele en/of akoestische en/of ruimtelijke middelen van andere onderdelen van het programma worden gescheiden. De VRM stelt echter vast dat de desbetreffende spot niet in het reclameblok werd uitgezonden maar daarbuiten.
Doordat de desbetreffende spot als reclamespot moet worden beschouwd, wordt ook het maximaal toegelaten aandeel aan televisiereclame per klokuur overschreden. Het Mediadecreet bepaalt dat het aandeel van televisiereclame- en telewinkelspots niet meer dan 20% van het klokuur mag bedragen (12 minuten). VIJF blijkt in de onderzochte periode meer dan 12 minuten reclame per klokuur uit te zenden.
Voor deze overtredingen op het Mediadecreet legt de VRM VIJF een geldboete van 30.000 euro op. Bij het bepalen van de sanctie houdt de VRM er rekening mee dat SBS Belgium in het verleden voor nagenoeg identieke feiten een geldboete van 25.000 euro werd opgelegd (Beslissing 2012-023 : 25.000 euro boete voor ICI Paris XL-spot op VijfTV)

IEFBE 770

Verbod uitzending reportage Telefacts over vermeend corrupte onderzoeksrechter

Ex parte beschikking Voorz. Rechtbank van Eerste Aanleg Brussel 8 april 2014, IEF 770 (Censuur Telefacts)
Mediarecht. Persvrijheid. Censuur. De rechter verbiedt VTM in het programma Telefacts een uitzending over het gerecht in Veurne. De reportage zou gaan om schandalen rondom een onderzoeksrechter die in verband wordt gebracht met corrupte praktijken zoals passieve omkoping en hij zou aan het hoofd staan van een netwerk dat invloed uitoefent op het bekomen van gunstige vonnissen. De rechter oordeelt dat de vrijheid van mening niet onbeperkt is en legt aan haar oordeel ten grondslag dat tussenkomst van de rechterlijke macht tot een verbod toegestaan kan worden wanneer de uiting een misdrijf uitmaakt. In casu zou dat neerkomen op laster en eerroof. De rechter verbiedt de uitzending onder een dwangsom van 200.000 euro per uitzending. Dit verzoekschrift is vlak voor de uitzending betekend.

De vrijheid van meningsuiting is niet onbeperkt. Artikel 10.2 EVRM bepaalt uitdrukkelijk dat er grenzen zijn aan het recht op vrije meningsuiting, waarvan de uitoefening kan beperkt worden aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden beperkingen of sancties onder meer ter bescherming van de openbare orde en de bescherming van de rechten van anderen. Artikel 19 Grondwet bevestigt dat de vrijheid van meningsuiting niet geldt indien deze meningsuiting een misdrijf uitmaakt. Laster en eerroof zijn strafbaar (art. 443 Sw). Een voorafgaande tussenkomst van de rechterlijke macht om een uitzending te verbieden kan in dergelijke aangelegenheden toegestaan worden.
IEFBE 767

Klachten PVDA+ en Piratenpartij tegen online stemtest onontvankelijk

VRM kamer voor onpartijdigheid 3 april 2014, IEFbe 767; beslissing nr. 2014/009 (PVDA+ tegen VRT); nr. 2014/010 (Piratenpartij tegen VRT)
Mediarecht. De kamer voor onpartijdigheid en bescherming van minderjarigen ontvingen twee klachten (PVDA+ en Piratenpartij) tegen "Doe de stemtest" (VRT). De klagers halen aan dat hun partijen worden uitgesloten van deelname aan "Doe de stemtest". De klagers menen daarbij dat artikel 39 van het Mediadecreet wordt geschonden. Wat het toezicht op artikel 39 van het Mediadecreet betreft, doet de VRM uitspraak naar aanleiding van klachten die op straffe van ontvankelijkheid uiterlijk de vijftiende dag na de uitzending van het programma is ingediend. Om aan de vereiste van de ontvankelijkheid te voldoen, moet de klager volgens het Procedurebesluit de datum van de uitzending van het programma aangeven met vermelding van de dag en het uur waarop de uitzending heeft plaatsgevonden. Aangezien "Doe de stemtest" (nog) niet als programma is uitgezonden, voldoen de klacht niet aan de gestelde voorwaarden uit het Procedurebesluit. De klachten worden dan ook kennelijk onontvankelijk verklaard.

Lees hier beslissing PVDA (pdf)

Lees hier beslissing Piratenpartij (pdf)

IEFBE 745

VRM beboet TMF vanwege productplaatsing Playstation 4 in programma Gametown

VRM algemene kamer 24 februari 2014, dossiernr. 2014/006 (VRM tegen BVBA VIMN Belgium)
Mediarecht. Productplaatsing. Reclamerecht. Omroep- en tv. De VRM controleerde de uitzendingen van verschillende televisiezenders (30 november 2013, 11u- 23u), waaronder TMF. Tijdens de onderzochte periode wordt het programma 'Gametown' uitgezonden waarin aandacht wordt besteed aan de nieuwe spelconsole 'Playstation 4' en enkele games die tegelijkertijd gelanceerd worden. In het programma komt ook bedieningsapparatuur voor games aan bod. De VRM besluit TMF een geldboete van 5.000 euro op te leggen voor deze inbreuken.

Productplaatsing - vertonen van 'PP-logo'
De VRM is van oordeel dat in het programma sprake is van productplaatsing. Het Mediadecreet laat productplaatsing toe, dit echter onder specifieke voorwaarden (waaronder het tonen van het PP-logo). Hoewel TMF het logo toont aan het begin van het programma en na de reclameonderbreking, blijkt het logo te ontbreken aan het einde van het programma. Bovendien is het getoonde PP-logo in sommige gevallen zeer wazig en onduidelijk bij gebrek aan voldoende contrast met de achtergrond.

Productplaatsing - aanprijzen en overmatige aandacht
Naast het vertonen van het PP-logo legt het Mediadecreet nog andere voorwaarden op m.b.t. productplaatsing. Zo mag er geen overmatige aandacht zijn voor producten of diensten en mogen deze ook niet worden aangeprezen.
De VRM meent dat ook op deze punten niet werd voldaan aan het Mediadecreet. De diverse producten (console, games en bedieningsapparatuur) krijgen minutenlang prominente en promotioneel waardevolle schermaandacht waardoor sprake is van overmatige aandacht. Aan de hand van promobeelden demonstraties, ... komen de producten vrijwel ononderbroken op een commercieel en promotioneel gunstige wijze in het programma voor. De presentator stelt daarbij de mogelijkheden, verbeteringen, voordelen, ... van de producten aan de kijker voor waarbij hij telkens de kwaliteit en het gebruiksgemak ervan benadrukt evenals het gameplezier dat ermee te beleven valt. De VRM meent dat op deze manier de producten worden aangeprezen.

Sponsorvermelding
In het programma 'Gametown' wordt voor en na elk programmaonderdeel ook telkens een sponsorvermelding uitgezonden ten voordele van de gamesite www.gametown.tv. In deze vermelding worden de kijkers opgeroepen om te surfen naar de site en om deel te nemen aan een wedstrijd.

De VRM oordeelt dat in het desbetreffende programma de sponsorvermeldingen niet correct werden gebruikt. Een sponsorvermelding dient namelijk beperkt te worden tot het vermelden van de sponsor (er kan daarbij wel gebruik worden gemaakt van de imago-ondersteunende slogan of baseline van de sponsor) . Een sponsorvermelding mag echter niet aanzetten tot consumptie. De in het programma gebruikte sponsorvermeldingen bevatten echter wel promotionele elementen ('surf naar', 'registreer en maak kans', 'doe mee en win', ...)

IEFBE 743

Boete voor Acht voor uitzenden van teveel reclame/telewinkelen per klokuur

VRM algemene kamer 10 maart 2014, dossiernr. 2014/008 (VRM tegen NV Bites Europe)
Reclamerecht. Mediarecht. De VRM controleerde de uitzenden van verschillende televisiezenders (12 december 2013, 16u-22u) waaronder Acht. Tijdens de onderzochte periode wordt tweemaal een overschrijding vastgesteld op het maximaal toegelaten percentage zendtijd voor reclame en telewinkelen per klokuur. Het Mediadecreet bepaalt dat het aandeel van televisiereclame- en telewinkelspots per klokuur niet meer dan 20% mag bedragen (12 minuten). Bij Acht werd op 12 december 2013 tussen 19u-20u meer dan twaalf minuten reclame uitgezonden, tussen 16u-17u meer dan dertien minuten. De VRM legt Acht voor deze inbreuk een geldboete op van 2.500 euro.

10. Uit het onderzoek blijkt dat Acht de bepalingen van artikel 81, § 2, van het Mediadecreet heeft geschonden.
 
Gelet op de mate waarin van het toegelaten percentage televisiereclame- en telewinkelspots overschreden werd, gaat het hier om een ernstige inbreuk.
 
Voor de bepaling van de strafmaat houdt de VRM rekening met de schaalgrootte van de omroeporganisatie en met het gegeven dat het in hoofde van Acht om een eerste inbreuk gaat.
 
Gelet op het bovenstaande is een administratieve geldboete van 2500 euro een gepaste sanctie.