DOSSIERS
Alle dossiers

Procesrecht - Droit judiciaire  

IEFBE 619

Verbod artikel met dwangsom van 5.000 euro per uur

Beschikking Voorzitter Rechtbank van Koophandel Dendermonde 23 januari 2014, Exp. nr. 174 (NV Ondernemingen Jan De Nul tegen NV Think Media Magazines)
Mediarecht. Absolute spoed. 584 derde alinea Gerechtelijk Wetboek. Vrije meningsuiting. Ex parte verzoekschrift toegewezen zoals verzocht. Strekkende tot het opleggen van een verbod van het artikel "De Nul nodigt de dood uit in de Filipijnen" in P-Magazine (via enig medium met inbegrip van internet of websites) onder verbeurte van een dwangsom van 5.000 euro per uur.

Uit het verzoekschrift:

2. Het kwestieuze "artikel" gaat over dubieuze praktijken die blijkbaar bepaalde personen in China, Singapore en op de Filippijnen zouden hebben begaan (o.m. omkoping of zelfs het vermoorden van politieke tegenstanders). Hoewel dit "artikel" geen enkel verband kan leggen tussen deze praktijken en verzoekster, doen de titel en andere uitlatingen niettemin uitschijnen dat verzoekster daar iets mee zou te maken hebben.
3. Verzoekster had vroeger al, als antwoord op vragen van de "journalist" van dit "artikel" duidelijk geantwoord dat het zand dat zij gebruikt voor baggerwerken en de oorsprong van dit zand (...) beantwoordt aan de wetgeving en milieustudies, en zij geen gebruik maakt van illegaal zand.
(...)
Dat, ondanks dit duidelijk antwoord,  toch een "artikel" is gepubliceerd met een uitermate lasterlijke en denigrerend opschrift dat rechtstreeks verzoekster viseert en met andere verkeerde, ongestaafde en tendentieuze uitlatingen en associaties tussen verzoekster en de dubieuze praktijken, is voor verzoekster onaanvaardbaar.

6. (...) dat dit opschrift niet problematisch zou zijn omdat het louter zou gaan om "een citaat van een uitspraak van één van de bronnen die in het artikel aan het woord komen" houdt geen steek.

9. Het recht op vrije meningsuiting is immers geen absoluut recht dat eenieder altijd en zonder enige beperking kan uitoefenen. (...)

11. Opdat de verbodsmaatregel enig nuttig effect zou hebben, is het noodzakelijk de eventuele schending ervan te bestraffen met een dwangsom. Het bedrag van de dwangsom moet afschrikwekkend werken en tevens in verhouding staan met het belang van de zaak. Daarom verzoekt verzoekster Nul dat een dwangsom zou worden opgelegd die gelijk is aan 5.000 euro per uur dat de opgelegde maatregel niet wordt nageleefd.

Op andere blogs:
Mediareport
Vlaamse Vereniging van Journalisten

IEFBE 608

Beroep op onbevoegdheid rechter laattijdig gedaan

Hof van Cassatie van België 2 januari 2014, C.12.0463.N (Wibra tegen VF International)
Door het Hof werd het vonnis van de eerste rechter bevestigd. Daarin werd de staking bevolen van het voeren van de op de Kipling-merken gelijkend teken op tassen. De inbreuken zijn te kwader trouw begaan. De schade werd forfaitair begroot op €604.440, de kosten van rechtspleging op €11.000. [zie Hof van Beroep te Brussel 12 juni 2012, 2009/AR/71 (Wibra tegen VF International)]

Procesrecht. De bevoegde rechtbank voor het Gemeenschapsmerkenrecht wordt bepaald op grond van Verordening 40/94 en het nationale recht. De exclusieve bevoegdheid van de rechtbank ex artikel 22, waarvan geen afstand kan worden gedaan door stilzwijgende aanvaarding van de bevoegde rechtbank, is niet van toepassing op loutere inbreukprocedures. Het beroep op de onbevoegdheid van de rechter is laattijdig gedaan, pas eerst voor het Hof van Beroep te Brussel is de onbevoegdheid van de rechtbank opgeworpen ((artikel 854 Gerechtelijk Wetboek). Het cassatieberoep wordt afgewezen

7. Krachtens artikel 854 Gerechtelijk Wetboek moet de onbevoegdheid van de rechter voor wie de zaak aanhangig is, in de regel, voor alle exceptie of verweer worden voorgedragen.

8. De appelrechters stellen vast dat de eiseressen voor het eerst voor het hof van beroep de onbevoegdheid van de rechtbank opwerpen, daar waar zij voor de eerste rechter verschenen zonder deze te betwisten en uitgebreid over de grond van de zaak hebben geconcludeerd en gedebatteerd. Verder stellen zij vast dat de eiseressen de eerste rechter verzochten akte te verlenen van hun akkoord om elk gebruik voor tassen van het beweerde inbreukmakende teken te staken, zonder onderscheid of die staking nu al dan niet inbreukmakende handelingen betrof die op Belgische en/of Nederlands grondgebied waren gepleegd.

9. Door op die gronden te beslissen dat de exceptie van onbevoegdheid van de eiseressen laattijdig is, verantwoorden zij naar recht hun beslissing dat de rechtbank bevoegd is om uitspraak te doen over de inbreuk gepleegd zowel op het Nederlandse als het Belgische grondgebied naar recht.

IEFBE 587

Bepaalde elementen van het deskundigenonderzoek kunnen worden gebruikt

Cour de Cassation de Belgique 6 december 2013, C.11.0503.F, C.11.0503.F (ABFin contre Intellectual Trade, Metal Malmedy, Electrabel, Suez-Tractebel)
special_report.JPGUitspraken mede ingezonden door Eric De Gryse, Simont Braun.
Met samenvattingen van Stéphanie Hermoye, Hoyng Monegier LLP.
Jugements de la Cour d'Appel Liège. Dans son arrêt du 6 décembre 2013, la Cour de Cassation a notamment décidé que pour examiner si le juge charge l’expert de procéder à des constatations techniques ou s’il a délégué sa juridiction quant à l’appréciation du litige en violation de l’article 11, alinéa 1er du Code Judiciaire, il faut examiner la formulation de la mission dans son ensemble et prendre en compte toutes les circonstances de l’espèce, les motifs et le contexte dans lequel l’expert est chargé de sa mission. Le juge qui ne retient du rapport d’expertise que les éléments que l’expert pouvait constater sans empiéter sur les pouvoirs du juge ne viole pas l’article 11 du Code Judiciaire. La Cour a considéré que l’arrêt attaqué n’avait en l’espèce pas délégué sa juridiction quant à l’appréciation de la validité du brevet, de l’existence d’actes de contrefaçon et de l’exception de possession personnelle antérieure.

Cet arrêt constitue une évolution par rapport à l’arrêt de la Cour de Cassation du 28 novembre 2011 prononcé dans une affaire Philips c. Princo (C.11.0314.N/1) [et Hof van Beroep Antwerpen]. En effet dans cette affaire, la Cour de Cassation a rejeté le pourvoi dirigé contre un arrêt de la Cour d’appel d’Anvers ayant jugé que la méconnaissance par le premier juge de l’article 11 du Code Judiciaire entraine la nullité absolue de la décision attaquée et l’annulation du rapport d’expertise. Dans cet arrêt, la Cour d’appel avait également refusé de maintenir les seules constatations techniques du rapport.

...NL vertaling...

Hof van Cassatie van België 6 december 2013, C.11.0503.F, urn:lex;be;cour.cassation;arret;2013-12-06;C.11.0503.F (ABFin tegen Intellectual Trade, Metal Malmedy, Electrabel, Suez-Tractebel)
Uitspraak van Hof van Beroep Luik. In haar arrest van 6 december 2013, heeft het Hof van Cassatie met name beslist dat om te onderzoeken of de rechter al dan niet de deskundige opdracht geeft om over te gaan tot technische vaststellingen dan wel de bevoegdheid om te oordelen over het geschil heeft overgedragen en zo artikel 11, alinea 1 van het Gerechtelijk Wetboek schendt, de formulering van de opdracht in haar geheel moet onderzocht worden met inachtneming van alle omstandigheden eigen aan de zaak, alsook de motieven en de context waarin de deskundige de opdracht heeft gekregen. De rechter die uit het deskundigenrapport enkel de elementen weerhoudt die de deskundige kon vaststellen zonder inbreuk te maken op de bevoegdheid van de rechter, maakt geen inbreuk op artikel 11 van het Gerechtelijk Wetboek. Het Hof heeft overwogen dat in het aangevochten arrest niet de bevoegdheid in verband met de beoordeling van de geldigheid van het octrooi, het bestaan van inbreuk en de uitzondering voor voorafgaand persoonlijk gebruik werd overgedragen.

Dit arrest is een evolutie ten opzichte van het arrest van het Hof van Cassatie van 28 november 2011 in de zaak Philips t. Princo (C.11.0314.N /1) [hiervoor Hof van Beroep Antwerpen]. In genoemde zaak heeft het Hof van Cassatie immers de voorziening verworpen tegen een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen waarin het Hof van Beroep had geoordeeld dat de miskenning van artikel 11 van het Gerechtelijk Wetboek door de eerste rechter tot de absolute nietigheid van de aangevochten beslissing en de vernietiging van het deskundigenverslag zou leiden. In dat arrest had het Hof van Beroep eveneens geweigerd slechts de technische vaststellingen van het rapport te behouden.

IEFBE 692

Naast technisch werd ook om juridisch advies gevraagd aan college van deskundigen

Hof van Beroep Antwerpen 20 februari 2012, IEFbe 692 (Sarin Technologies tegen Ogi Systems)
Uitspraak ingezonden door Eric De Gryse, Simont Braun. Octrooirecht. De eerste rechter heeft zich aldus niet ertoe beperkt het college van deskundigen te gelasten vaststellingen te doen of een technisch advies te geven, maar tevens een juridische opdracht heeft gegeven die erin bestaat om de geldigheid van de litigieuze octrooien te onderzoeken en de inbreukvraag te beantwoorden. Het Hof van Beroep vernietigt het vonnis in eerste aanleg IEFbe 691 vanwege overschrijding van rechtsmacht.

4.2.3 Met appellante is het hof van oordeel dat de eerste rechter zich aldus niet ertoe heeft beperkt het college van deskundigen te gelasten vaststellingen te doen of een technisch advies te geven, maar tevens een juridische opdracht heeft gegeven die erin bestaat om de geldigheid van de litigieuze octrooien te onderzoeken en de inbreukvraag te beantwoorden. De vraag naar de geldigheid (nieuwheid, uitvinderswerkzaamheid) van een octrooi als de vraag naar de inbreuk erop zijn als dusdanig juridische vragen. Of de vereisten van octrooi-eerbaarheid zijn vervuld en of er eventueel octrooi-inbreuk is, moet door de rechtbank/het hof zelf worden beantwoord. Ze betreffen de gegrondheid van de vordering .De aan het college van deskundigen gegeven opdracht moet worden beperkt tot het verzamelen van de nodige feitelijke elementen om de rechtbank/het hof in staat te stellen de rechtsregels toe te passen. De door de eerste rechter aan het college van deskundigen gegeven opdracht gaat te ver. Het omvat meer dan het doen van vaststellingen en het uitbrengen van technisch advies. De omstandigheid dat de eerste rechter onder punt C. van de opdracht expliciet verwezen heeft naar "de door de partijen aangevoerde technisch-wetenschappelijke betwistingen" belet niet dat er juridische vragen werden gesteld naar de geldigheid van de octrooien en het al dan niet bestaan van een inbreuk hierop

IEFBE 530

Afstand van vordering tot merkinschrijving "Á LA CARTE"

Hof van Beroep Brussel 9 september 2013, 2009/AR/2440 (Intres Belgium NV tegen BBIE)
Merkenrecht. Beroep ingesteld tegen de weigering van de inschrijving van het woordmerk "À LA CARTE". Na de beantwoording van prejudiciële vragen gesteld aan het Benelux Gerechtshof (IEF 10303) doet Intres afstand van rechtsvordering en betaalt aan BOIE de proceskosten.

Eerder bij BenGH: Uitleg 2.12 BVIE. Meer specifiek was de vraag aan de orde of na overdracht van een merkaanvraag c.q. –inschrijving de rechtsverkrijgende, die in een ander Benelux-land is gevestigd dan de deposant, gebonden blijft aan het in het depotformulier vermelde adres van de deposant.

5. De partijen hebben een gemeenschappelijke conclusie ingediend waarbij ze over het verder verloop.van de rechtspleging een akkoord hebben bereikt. Eiseres doet afstand van rechtsvordering en de afstand wordt door het BOIE aanvaard. Eiseres betaalt aan de BOIE het geïndexeerde basisbedrag van de rechtsplegingvergoeding, hetzij €1.320. (...)

Het hof verleent akte dat eiseres afstand doet van haar rechtsvordering en verweerster die afstand aanvaardt. Het geschil is beëindigd.

IEFBE 516

Prejudiciële vraag: Rechterlijke bevoegdheid bij topleveldomein van een andere lidstaat

Prejudiciële vragen aan HvJ EU 5 augustus 2013, C-441/13 (Pez Hejduk tegen EnergieAgentur.NRW GmbH) - dossier
Prejudiciele vragen gesteld door Handelsgericht Wien, Oostenrijk.
Bevoegdheid. IPR. Verzoekster Pez Hejduk is beroepsfotografe, en al vele jaren gespecialiseerd in architectuurfotografie. Zij heeft fotoboeken uitgebracht over de architect Prof. Reinberg. Zij verwijt verweerster, een in Duitsland gevestigde energiebedrijf, zonder haar toestemming al jarenlang, zeker vanaf 2004, het boek op een door verweerster geëxploiteerde website te hebben staan waarvandaan het vrij van rechten ingekeken en gedownload kan worden. Zij ontdekt dit bij toeval en verzoekt de rechtbank verweerster te veroordelen wegens schending van haar auteursrecht.

Verzoekster meent dat het Handelsgericht Wien op grond van artikel 5 lid 3 van de EEX-Vo. de bevoegde rechter is aangezien verweersters website ook vanuit Wenen kan worden geraadpleegd.  Verweerster ontkent de bevoegdheid van het Handelsgericht: de plaats van handeling van artikel 5 lid 3 (de ‘uploading’) is Düsseldorf. Er is ook geen sprake van ‘gerichtheid’ van de website op Oostenrijk. Verweerster is ook van mening dat er geen sprake is van een beschermd ‘werk’. De door verzoekster gemaakte foto’s zijn in 2004 met haar instemming door architect Reinberg getoond tijdens een lezing op een door verweerster georganiseerd congres. De publicatie van de foto’s heeft plaatsgevonden in het kader van deze voordracht.

Om de kwestie tot een goed einde te brengen heeft de rechter antwoord van het Hv JEU nodig op de volgende vraag:

“Moet artikel 5, nr. 3, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken aldus worden uitgelegd dat in een geding inzake de schending van naburige rechten van het auteursrecht die erin bestond dat een foto kon worden bekeken op een website die werd geëxploiteerd onder het topleveldomein van een andere lidstaat dan die waar de houder van de rechten zijn woonplaats heeft, enkel de gerechten bevoegd zijn van:
– de lidstaat waar de vermeende inbreukpleger is gevestigd, en
– de lidstaat of lidstaten waarop de website volgens de inhoud ervan gericht is?”

IEFBE 386

Nietigheidsafdeling moet ook wijzen op Uitvoeringsverordening en vertaling van bewijs

OHIM Derde Kamer van Beroep, 4 februari 2013, zaak R 1126/2012-3 (Schulpen Schuim Leiden tegen Easy-Do Products; schuursponsjes)
001012769_0001_1_source.jpgMet samenvatting en (kort) commentaar van Laurens Kamp, Simmons & Simmons.

Gemeenschapsmodellenrecht spons. Nietigheidsprocedure op grond van artikel 25 lid 1 sub d GModVo (nietigheid wegens strijd met een ouder merkrecht). Uitleg van artikel 30 lid 1 Uitvoeringsverordening.

In zijn verzoekschrift had de verzoeker het verzoek naar het oordeel van de Nietigheidsafdeling onvoldoende gespecificeerd. Er was derhalve sprake van een schending van artikel 28 lid 1 sub b onder i van de Uitvoeringsverordening ("een vordering bij het Bureau tot nietigverklaring van een Gemeenschapsmodel (…) behelst: (…) een verklaring van de gronden waarop de vordering tot nietigverklaring berust"). Ook had de verzoeker de Benelux merkinschrijving waarop hij zijn verzoek had gebaseerd enkel in het Nederlands ingediend.

Op grond van artikel 30 lid 1 van de Uitvoeringsverordening gaf de Nietigheidsafdeling de verzoeker vervolgens een termijn van twee maanden om de gronden voor zijn verzoek nader te specificeren. Nadat de verzoeker binnen de gegeven termijn had aangegeven dat hij zijn verzoek baseerde op artikel 25 lid 1 sub d GModVo, wees de Nietigheidsafdeling zijn verzoek alsnog af omdat de Benelux merkinschrijving niet in de taal van de procedure was vertaald (hetgeen op grond van artikel 29 lid 5 van de Uitvoeringsverordening vereist is).

In hoger beroep wordt verzocht om de Kamer van Beroep de beslissing van de Nietigheidsafdeling te vernietigen, omdat de Nietigheidsafdeling in haar communicaties niet had aangegeven dat het bewijs moest worden vertaald in de taal van de procedure.

Het verweer van de verzoeker wordt door de Kamer van Beroep gehonoreerd. De Kamer overweegt dat de in artikel 30 lid 1 van de Uitvoeringsverordening bedoelde mededelingsplicht van de Nietigheidsafdeling niet beperkt is tot de in dat artikel genoemde bepalingen, maar geldt voor alle bepalingen van de Modellen- of de Uitvoeringsverordening. Omdat de Nietigheidsafdeling de verzoeker niet op de schending van artikel 29 lid 5 Uitvoeringsverordening had gewezen, was de afwijzing van het verzoek door de Nietigheidsafdeling in strijd met artikel 30 lid 1 Uitvoeringsverordening. De Kamer van Beroep verwijst de zaak terug naar de Nietigheidsafdeling voor de beoordeling van de geldigheid van het bewuste modelrecht, waarbij het OHIM de verzoeker vrijstelt van de kosten voor het hoger beroep, wegens een "substantial procedural violation" aan de zijde van het OHIM.

17 The renewal certificate attached to the application of 17 January 2012 which showed the representation and particulars of the prior Benelux design was filed in Dutch. It was therefore for the appellant to submit a translation into English by or on 17 March 2012.

18 As rightly pointed out by the appellant, such translation requirement was never communicated. In that respect the contested decision appears to proceed from the assumption that, since the two-month time limit of Article 29(5) CDIR starts to run with the filing of the evidence, it does not fall within the scope of Article 30(1) CDIR and, consequently, a deficiency letter to the appellant was not warranted. However, while Article 29(5) CDIR certainly allows disregarding any evidence which is not translated into the language of the proceedings, it does not mandate the rejection of the application as inadmissible if such translation is submitted after the two-month time limit.

19 Article 30(1) CDIR expressly refers to applications for a declaration of invalidity that do not comply with Article 52 CDR, Article 28 CDIR or any other provision of the CDR or the CDIR (emphasis added). Since the appellant was never informed that its application did not meet the requirements of Article 29(5) CDIR, the rejection as inadmissible was issued in breach of Article 30(1) CDIR and has to be annulled for that reason alone.

IEFBE 364

Tijdstip van de douanebestemming van goederen in tijdelijk opslag

Conclusie A-G HvJ EU 28 februari 2013, zaak C-542/11 (Staatssecretaris van Financiën tegen Codirex Expeditie BV) - dossier

4559870254_256bc25107.jpgPrejudiciële vraag gesteld door de Hoge Raad der Nederlanden.

Als randvermelding. Vraag: Wat is het tijdstip waarop niet-communautaire goederen een douanebestemming verkrijgen in de zin van artikel 50 van het [douanewetboek], in een geval waarin goederen met de status 'in tijdelijke opslag' zijn aangegeven voor plaatsing onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer?

Conclusie A-G:

„Niet-communautaire goederen met de status 'in tijdelijke opslag’ die zijn aangegeven voor plaatsing onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer, verkrijgen een douanebestemming in de zin van artikel 50 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1791/2006 van de Raad van 20 november 2006, wanneer de aangifte is aanvaard en de goederen zijn vrijgegeven.”

IEFBE 345

Litispendentie Belgisch IE-recht en Nederlands verbintenissenrecht

Hof 's-Hertogenbosch 15 januari 2013, LJN BY8646 (UHDE Fertilizer Technology B.V. tegen RTF VOF c.s.)

Uitspraak ingezonden door John J. Allen, NautaDutilh.

Internationaal privaatrecht. Procesrecht. Litispendentie. Belgisch IE-recht en Nederlands verbintenissenrecht.

Door UFT is een procedure aanhangig gemaakt bij de Rechtbank Gent waarin  een hoofdelijke veroordeling tot schadevergoeding vanwege schending van IE-rechten en schending van vertrouwelijkheid is gevorderd. Voor de rechtbank Roermond is RFT gedagvaard terzake van wanprestatie inzake Service Agreement. RFT heeft een incident opgeworpen dat er sprake is van litispendentie (de situatie dat een geschil al bij een andere rechter in behandeling is) ex artikel 27 lid 1 EEX-Vo.

UFT antwoordt dat de rechtbank Roermond bevoegd is op grond van het exclusieve forumkeuzebeding. De rechtbank stelt vast dat de vorderingen dienen te worden beoordeeld aan de hand van verschillende toetsingskaders, te weten enerzijds de Belgische intellectuele eigendomsrechtbepalingen en anderzijds het Nederlandse verbintenissenrecht. Deze benadering acht het hof onder verwijzing naar HvJ EG Gantner/Basch juist en zij deelt de conclusie van de rechtbank dat niet gesproken kan worden van dezelfde rechtsregels en daarmee evenmin van 'dezelfde oorzaak' als in artikel 27 EEX-Vo bedoeld.

De grieven worden afgewezen. Het verzoek van RFT tot verwijzing naar de rechtbank Gent wordt afgewezen op grond  van artikel 28 lid 2 EEX-Vo en de aanhouding van de zaak op grond van 28 lid 1 EEX-Vo wordt toegewezen. RFT VOF c.s. worden hoofdelijk veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen is betaald. De proceskosten worden gecompenseerd.

4.15.Alhoewel de primaire vordering van RFT geen onderdeel van de rechtstrijd in hoger beroep uitmaakt, overweegt het hof, gelet op de samenhang met artikel 28 EEX-Vo, hieromtrent als volgt.
De rechtbank heeft in ieder geval vastgesteld dat de vorderingen in beide procedures dienen te worden beoordeeld aan de hand van verschillende toetsingskaders, te weten enerzijds de Belgische bepalingen ter zake het intellectuele eigendomsrecht en anderzijds de bepalingen ter zake het Nederlandse verbintenissenrecht. Het hof acht deze benadering in het licht van HvJ EG 8 mei 2003, C-111/01, inzake Gantner/Basch, LJN: AY3796 juist en deelt de conclusie van de rechtbank dat niet gesproken kan worden van dezelfde rechtsregels en daarmee evenmin van ‘dezelfde oorzaak’ als in artikel 27 EEX-Vo bedoeld.
Uit laatstgenoemd arrest van het Hof van Justitie blijkt dat uitgangspunt van de beoordeling moet zijn de vorderingen zoals die luiden bij het aanhangig maken van de beide procedures. De mogelijkheid van eiswijziging of vermeerdering speelt - anders dan door RFT VOF c.s. ook in hoger beroep bepleit - geen rol bij de beoordeling of de in artikel 27 EEX-Vo geregelde situatie zich voordoet. Hetzelfde geldt voor door RFT VOF c.s. nog te voeren verweren, bijvoorbeeld dat er geen contractuele grondslag meer is voor de vorderingen van UFT in de Nederlandse procedure, of voor de door hen ervaren samenhang tussen beide procedures. Dat in het kader van de schets van de feitelijke verhouding tussen partijen uiteraard melding wordt gemaakt van de Service Agreement betekent niet dat de vorderingen van UFT in de Belgische procedure ook op die overeenkomst zijn gebaseerd.
De verwachting van RFT VOF c.s. dat UFT in die procedure zich alsnog op de overeenkomst zal gaan beroepen, zulks vanwege het Belgische recht met betrekking tot de omgang met vertrouwelijke gegevens, kan en zal om de aangegeven redenen niet worden meegewogen bij de vraag of artikel 27 EEX-Vo toepassing vindt.
Overigens voorziet artikel 28 EEX-Vo juist onder nadere voorwaarden in gevallen waarbij, zonder dat sprake is van dezelfde oorzaak als in artikel 27 EEX-vo bedoeld, toch enige samenhang is.
Het beroep door RFT VOF c.s. op artikel 27 EEX-Vo is door de rechtbank om bovenstaande redenen in ieder geval terecht verworpen.

IEFBE 342

Prejudiciële vragen: Opwerping van de exceptie van litispendentie

Prejudiciële vragen aan HvJ EU, 2 januari 2013, zaak C-1/13 (Cartier parfums Lunettes en Axa tegen Ziegler c.s.)

eaudecartier.jpgPrejudiciële vragen gesteld door Cour de Cassation, Frankijk.

Procesrecht. Litispendentie. Onbevoegdheid en uitputting. EEX-Verordening. Verzoeksters hebben 24 september 2008 de vennootschappen gedaagd wegens openstaande schulden. Ziegler France werpt echter de exceptie van litispendentie op omdat zij de zaak 16 september 2008 al voor de High Court in Londen hadden gebracht. Het Hof van beroep te Douai neemt dit over en verklaart zich onbevoegd. Verzoeksters zijn het daar echter niet mee eens: zij zijn van mening dat het hof van beroep, door te oordelen dat de bevoegdheid van de High Court te Londen „vaststond” in de zin van artikel 27 van EEX-Vo. 44/2001 omdat deze bevoegdheid niet was betwist, de betekenis en de draagwijdte van deze tekst onjuist heeft uitgelegd.

Uit artikel 27 van EEX-Vo. 44/2001 volgt dat in een situatie als onderhavige een rechter zich niet eerder onbevoegd mag verklaren dan nadat de bevoegdheid van het eerst aangezochte gerecht vaststaat. De verwijzende Franse cassatierechter stelt daarom het HvJ EU de volgende vraag:

Moet artikel 27, lid 2, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, aldus worden uitgelegd dat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat wanneer geen enkele partij zich op de onbevoegdheid van dit gerecht heeft beroepen dan wel dit gerecht zich bevoegd heeft verklaard bij een beslissing die onherroepelijk is om welke reden dan ook, met name omdat de mogelijkheden om beroep in rechte in te stellen zijn uitgeput?