IEFBE 4298
9 september 2026
Uitspraak

Gerecht: verwarringsgevaar tussen GOTCHA en ouder Uniemerk GONG CHA voor dranken en horecadiensten

 
IEFBE 4297
9 september 2026
Uitspraak

Gerecht: verwarringsgevaar tussen papyros by Modus en ouder merk PAPYRUS voor software en IT-diensten

 
IEFBE 4296
9 september 2026
Uitspraak

Gerecht: verwarringsgevaar tussen LOTO DEL SVR en ouder Uniemerk SVR voor cosmetica

 
IEFBE 4298

Gerecht: verwarringsgevaar tussen GOTCHA en ouder Uniemerk GONG CHA voor dranken en horecadiensten

Gerecht EU - Tribunal UE 9 sep 2026, IEFBE 4298; ECLI:EU:T:2026:553 (GOTCHA), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-verwarringsgevaar-tussen-gotcha-en-ouder-uniemerk-gong-cha-voor-dranken-en-horecadiensten

Gerecht EU 9 september, IEF 23812; IEFbe 4298; ECLI:EU:T:2026:553 (GOTCHA). Het Gerecht verwerpt het beroep van CFL Australia tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO, die de oppositie van Gong cha Global tegen de internationale registratie GOTCHA met aanwijzing van de Europese Unie had toegewezen op grond van artikel 8, lid 1, onder b, van Verordening 2017/1001. De aanvraag ziet op onder meer thee-, koffie- en cacaoproducten in klasse 30, niet-alcoholische dranken in klasse 32 en horeca- en cateringdiensten in klasse 43; het oudere Uniewoordmerk GONG CHA is ingeschreven voor onder meer overeenkomstige waren en diensten. De kamer van beroep mocht haar beoordeling concentreren op Poolstalige consumenten: wanneer het oudere merk een Uniemerk is, volstaat het voor weigering dat verwarringsgevaar bestaat bij een deel van het publiek in de Europese Unie. Anders dan CFL Australia stelde, had de oppositieafdeling haar onderzoek bovendien niet uitsluitend op Portugeestalige consumenten gericht, maar op het niet-Portugees- en niet-Engelstalige publiek waarvoor de betrokken woordelementen geen relevante betekenis hebben. Ook de klacht over bewijs dat Gong cha Global pas in beroep had overgelegd, slaagt niet. De kamer van beroep baseerde haar beoordeling van het verwarringsgevaar namelijk niet op dat bewijs, dat was overgelegd ter onderbouwing van de gestelde verhoogde onderscheidingskracht en reputatie van het oudere merk, zodat de klacht in zoverre niet ter zake dienend was. Bovendien had de kamer van beroep gemotiveerd waarom het aanvullende bewijs volgens artikel 27, lid 4, van Gedelegeerde Verordening 2018/625 kon worden toegelaten. De waren en diensten zijn, afhankelijk van de categorie, identiek of in hoge mate soortgelijk: de diensten in klasse 43 zijn bijvoorbeeld identiek aan diensten in dezelfde klasse van het oudere merk, zodat een afzonderlijke vergelijking daarvan met waren uit klasse 30 niet nodig was.

IEFBE 4297

Gerecht: verwarringsgevaar tussen papyros by Modus en ouder merk PAPYRUS voor software en IT-diensten

Gerecht EU - Tribunal UE 9 sep 2026, IEFBE 4297; ECLI:EU:T:2026:539 (papyros by Modus), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-verwarringsgevaar-tussen-papyros-by-modus-en-ouder-merk-papyrus-voor-software-en-it-diensten

Gerecht EU 9 september 2026, IEF 23811; IT 5512; IEFbe 4297; ECLI:EU:T:2026:539 (papyros by Modus). Het Gerecht verwerpt het beroep van Modus AE tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO waarbij het Uniemerk papyros by Modus op grond van artikel 60, lid 1, onder a, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 1, onder b, van Verordening 2017/1001 nietig is verklaard wegens verwarringsgevaar met de oudere internationale woordmerkregistratie PAPYRUS, die werking heeft in de Europese Unie en is ingeschreven voor ‘gegevensverwerkingsapparatuur; computers’ in klasse 9. Het bestreden merk ziet, na beperking van de waren- en dienstenlijst, op software voor het beheer van bedrijfsdocumenten en workflows in klasse 9 en daarmee verband houdende softwarediensten in klasse 42. Het relevante publiek bestaat uit zakelijke afnemers met een verhoogd aandachtsniveau. Het Gerecht bevestigt dat de software in klasse 9 gemiddeld soortgelijk is aan de waren van het oudere merk vanwege onder meer hun complementariteit, overlappende afnemers en distributiekanalen en de mogelijkheid dat zij door dezelfde ondernemingen worden aangeboden. De diensten in klasse 42 zijn ten minste in geringe mate soortgelijk aan die waren, omdat zij tot dezelfde IT-sector behoren, zich tot dezelfde afnemers kunnen richten en gezamenlijk als geïntegreerde IT-oplossingen kunnen worden aangeboden. Het enkele verschil tussen software en hardware sluit soortgelijkheid dan ook niet uit. Het verzoek van Modus om het EUIPO op te dragen de registratie van het merk in stand te houden, wijst het Gerecht bovendien af wegens het ontbreken van bevoegdheid om het EUIPO dergelijke bevelen te geven.

IEFBE 4296

Gerecht: verwarringsgevaar tussen LOTO DEL SVR en ouder Uniemerk SVR voor cosmetica

Gerecht EU - Tribunal UE 9 sep 2026, IEFBE 4296; ECLI:EU:T:2026:546 (LOTO DEL SVR), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-verwarringsgevaar-tussen-loto-del-svr-en-ouder-uniemerk-svr-voor-cosmetica

Gerecht EU 9 september 2026, IEF 23810; IEFbe 4296; ECLI:EU:T:2026:546 (LOTO DEL SVR). Het Gerecht verwerpt het beroep van Cosmetika tegen de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO, waarbij de inschrijving van het aangevraagde beeldmerk LOTO DEL SVR voor een groot deel van de waren in klasse 3 was geweigerd wegens verwarringsgevaar met het oudere Uniewoordmerk SVR van Laboratoires Svr. Cosmetika betoogde onder meer dat de kamer van beroep haar beoordeling niet had mogen baseren op de perceptie van het Italiaanstalige publiek, omdat de oppositieafdeling haar beoordeling op het Spaanstalige publiek had toegespitst. Het Gerecht verwerpt dat betoog. Vanwege de functionele continuïteit binnen het EUIPO en het devolutieve karakter van het beroep moet de kamer van beroep de oppositie volledig opnieuw beoordelen. Bovendien volstaat bij een ouder Uniemerk dat verwarringsgevaar bestaat bij een deel van het relevante publiek in de Unie. Laboratoires Svr hoefde daarom geen incidenteel beroep in te stellen om argumenten over onder meer het Italiaanstalige publiek aan te voeren. Ook mocht de kamer van beroep het voor het eerst in beroep overgelegde aanvullende bewijs daarover toelaten, omdat dit relevant was en reeds eerder ingediend bewijs aanvulde. Van schending van het recht om te worden gehoord was geen sprake, nu Cosmetika gelegenheid had gekregen om op deze argumenten te reageren. De twee marktstudies die Cosmetika pas bij het Gerecht overlegde, worden buiten beschouwing gelaten omdat zij dateren van na de bestreden beslissing en geen deel uitmaakten van het dossier voor het EUIPO.

IEFBE 4295

Gerecht: EUIPO beoordeelde bewijs van normaal gebruik van NUTRISTAR onvolledig en onjuist

Gerecht EU - Tribunal UE 9 sep 2026, IEFBE 4295; ECLI:EU:T:2026:540 (Nutristar tegen EUIPO en Anielska en Tyrawski), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-euipo-beoordeelde-bewijs-van-normaal-gebruik-van-nutristar-onvolledig-en-onjuist

Gerecht EU 9 september 2026, IEF 23809; IEFbe 4295; ECLI:EU:T:2026:540 (Nutristar tegen EUIPO, Anielska en Tyrawski). Het Gerecht vernietigt gedeeltelijk de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO inzake het Uniemerk NUTRISTAR. Tegen het merk was op grond van artikel 58, lid 1, onder a, van Verordening (EU) 2017/1001 een verzoek tot vervallenverklaring ingediend wegens het ontbreken van normaal gebruik gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar. In beroep bij het Gerecht beperkte Nutristar haar vordering tot de betrokken waren in de klassen 5 en 31. Het Gerecht benadrukt dat normaal gebruik moet worden aangetoond aan de hand van de plaats, tijd, omvang en aard van het gebruik en dat alle bewijsstukken in onderlinge samenhang moeten worden beoordeeld. Niet ieder afzonderlijk bewijsstuk hoeft alle aspecten van het gebruik te bewijzen. Uit de bestreden beslissing bleek echter niet dat de kamer van beroep alle beschikbare bewijsstukken daadwerkelijk in een volledige en globale beoordeling had betrokken: van de 37 door Nutristar in beroep overgelegde bijlagen waren verschillende stukken niet, of nauwelijks, meegenomen. Die klacht van Nutristar slaagt daarom.

IEFBE 4294

Oorspronkelijk gepubliceerd op AI-Forum.

Auteursrecht op door AI gegenereerde output? De VS en EU zijn kritisch, maar India opent de deur


Kan een werk auteursrechtelijk beschermd zijn wanneer de vormgeving volledig door een AI-systeem is bepaald? Ja, aldus het Indiase Copyright Office. Het door DABUS gegenereerde beeld A Recent Entrance to Paradise voldoet aan de originaliteitsdrempel. DABUS kan zelf geen auteur zijn, maar zijn ontwikkelaar Stephen Thaler wel. Dezelfde Thaler wiens verzoek om bescherming van hetzelfde werk een halfjaar terug in de Verenigde Staten nog definitief strandde. Slaat India daarmee een andere route in dan de VS en naar alle waarschijnlijkheid ook de Europese Unie? Dat lichten we toe.

IEFBE 4293

HvJ EU: politieke parodie rechtvaardigt gebruik bekend merk alleen als belang van gebruiker zwaarder weegt

HvJ EU - CJUE 8 sep 2026, IEFBE 4293; ECLI:EU:C:2026:721 (Inter IKEA Systems), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-politieke-parodie-rechtvaardigt-gebruik-bekend-merk-alleen-als-belang-van-gebruiker-zwaarder-weegt

HvJ EU 8 september 2026, IEF 23802; IEFbe 4293; ECLI:EU:C:2026:721 (Inter IKEA Systems). In het arrest Inter IKEA Systems (C-298/23) beantwoordt de Grote kamer van het Hof van Justitie prejudiciële vragen van de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel over de verhouding tussen de bescherming van bekende merken en de vrijheid van meningsuiting. Aanleiding is de campagne van Vlaams Belang uit 2022 onder de titel “IKEA-plan – Immigratie Kan Echt Anders”, waarin een politiek programma over de hervorming van het Belgische asiel- en immigratiebeleid werd gepresenteerd met tekens en visuele elementen die verwezen naar de bekende IKEA-merken en naar de montagehandleidingen van IKEA. Inter IKEA stelde wegens dit gebruik een merkinbreukvordering in tegen onder meer Algemeen Vlaams Belang en Vrijheidsfonds; de verwijzende rechter verklaarde die vordering uitsluitend ten aanzien van Vrijheidsfonds ontvankelijk. Vrijheidsfonds, dat de campagne namens en voor rekening van Vlaams Belang of zijn vertegenwoordigers voerde, erkende de IKEA-merken zonder toestemming te hebben gebruikt en stelde dat de bekendheid daarvan was benut om de politieke boodschap kracht bij te zetten en de verspreiding ervan te vergroten. De verwijzende rechter vraagt of de vrijheid van meningsuiting, waaronder politieke meningsuiting en politieke parodie, een “geldige reden” kan vormen in de zin van artikel 9 lid 2 onder c UMVo en artikel 10 lid 2 onder c en lid 6 Merkenrichtlijn. Het Hof maakt daarbij eerst onderscheid tussen twee juridische routes. Artikel 9 lid 2 onder c UMVo en artikel 10 lid 2 onder c Merkenrichtlijn zien op gebruik van een bekend merk in het economische verkeer voor waren of diensten. Artikel 10 lid 6 Merkenrichtlijn laat daarentegen nationale bescherming toe tegen gebruik anders dan ter onderscheiding van waren of diensten; voor Benelux-merken is die bescherming opgenomen in artikel 2.20 lid 2 onder d BVIE. Een dergelijk gebruik kan zowel binnen als buiten het economische verkeer plaatsvinden, maar is in ieder geval geen gebruik voor waren of diensten. Het Hof kan op basis van de verwijzingsbeslissing niet vaststellen onder welke route het gebruik door Vrijheidsfonds valt en laat die beoordeling aan de nationale rechter. Daarbij is van belang dat ook een vereniging zonder winstoogmerk in het economische verkeer kan handelen wanneer zij als marktdeelnemer optreedt. Een politiek programma is op zichzelf geen waar of dienst, maar gebruik van een merk bij bijvoorbeeld politieke bijeenkomsten, op reclamemateriaal of in promotionele onlinecontent kan onder omstandigheden wel als gebruik voor waren of diensten worden aangemerkt.

IEFBE 4292

Prejudiciële vragen gesteld over medisch hulpmiddel

HvJ EU - CJUE 12 dec 2025, IEFBE 4292; C-820/25 (DV tegen Eurogine S.L.), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/prejudiciele-vragen-gesteld-over-medisch-hulpmiddel

Prejudiciële vragen gesteld aan HvJEU 12 december 2025, LS&R 2462; IEFbe 4292; C-820/25 (DV tegen Eurogine S.L.) via Minbuza. Verwerende partij is een fabrikant van medische hulpmiddelen en producent van een spiraal, dat als anticonceptiemiddel werd gebruikt door verzoekster. De spiraal was in 2017 bij haar geplaatst, maar bleek een gebrekkig product te zijn, waarna zij in 2021 ongepland zwanger werd. Verzoekster vordert nu schadevergoeding van verweerster voor haar inkomensverlies, vanwege de ongewenste zwangerschap als ‘lichamelijk letsel’. Ter discussie staat of deze vorm van schadevergoeding kan worden toegekend bij de geboorte van een gezond kind, of dat het inkomensverlies slechts een indirect gevolg is van het gebrekkige product.

IEFBE 4290

BGH bevestigt pastiche-exceptie voor sample uit ‘Metall auf Metall’

Duitse jurisprudentie - Jurisprudence allemande 3 sep 2026, IEFBE 4290; https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/bgh-bevestigt-pastiche-exceptie-voor-sample-uit-metall-auf-metall

Bundesgerichtshof 3 september 2026, IEF 23797; IEFbe 4290; I ZR 74/22 (Metall auf Metall VI). In deze zaak tussen Kraftwerk c.s. en Pelham c.s. staat de vraag centraal of het gebruik van een twee seconden durende ritmische sequentie uit het nummer Metall auf Metall door middel van sampling kan worden aangemerkt als een toegestane pastiche. De sample werd gebruikt in het nummer Nur mir van Sabrina Setlur en daarin voortdurend herhaald. De zaak kent een lange voorgeschiedenis. Nadat het Bundesgerichtshof eerder prejudiciële vragen had gesteld over de rechten van fonogrammenproducenten [IEF 18613], legde het in 2023 opnieuw vragen voor aan het Hof van Justitie [IEF 21672], ditmaal over de uitleg van het begrip ‘pastiche’ in artikel 5 lid 3 onder k van Richtlijn 2001/29/EG. Het Hof beantwoordde die vragen op 14 april 2026 [IEF 23472]. Het Bundesgerichtshof oordeelt nu dat de overname van de ritmische sequentie weliswaar een ingreep vormt in de reproductierechten van de fonogrammenproducenten en uitvoerende kunstenaars en in de reproductie- en distributierechten van de auteur, maar dat het gebruik vanaf 7 juni 2021 onder de Duitse pastiche-exceptie van § 51a UrhG valt.

IEFBE 4289

A-G: Uniemerkinbreukprocedure moet in beginsel worden geschorst bij later ingestelde nietigheidsprocedure bij EUIPO

HvJ EU - CJUE 3 sep 2026, IEFBE 4289; ECLI:EU:C:2026:699 (Bodegas Sanviver, SL tegen Bodegas Vega Sicilia, SA), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/a-g-uniemerkinbreukprocedure-moet-in-beginsel-worden-geschorst-bij-later-ingestelde-nietigheidsprocedure-bij-euipo

HvJ EU 3 september 2026, IEF 23796; IEFbe 4289; ECLI:EU:C:2026:699 (Bodegas Sanviver, SL tegen Bodegas Vega Sicilia, SA). Bodegas Vega Sicilia is houdster van het Uniewoordmerk UNICO voor wijnen en stelt in Spanje een inbreukprocedure in tegen Bodegas Sanviver wegens het gebruik van het teken ÚNICO voor vermout. Nadat de inbreukprocedure is gestart, dient Sanviver bij het EUIPO een vordering tot nietigverklaring van het merk in, zonder bij de nationale rechter een reconventionele nietigheidsvordering in te stellen. Het EUIPO verklaart het merk vervolgens nietig op absolute nietigheidsgronden, maar die beslissing is nog niet definitief. De Spaanse Tribunal Supremo oordeelt dat Sanviver de geldigheid van het merk via een procedure bij het EUIPO mocht betwisten en dat de inbreukprocedure na het instellen daarvan in beginsel had moeten worden geschorst. De Audiencia Provincial de Alicante twijfelt aan die uitleg en vraagt het Hof van Justitie onder meer of een verweerder na aanvang van een Uniemerkinbreukprocedure nog een nietigheids- of vervallenverklaringsprocedure bij het EUIPO kan starten en welke gevolgen dat heeft voor de lopende gerechtelijke procedure.