Gepubliceerd op dinsdag 19 maart 2024
IEFBE 3724
HvJ EU - CJUE ||
30 jan 2024
HvJ EU - CJUE 30 jan 2024, IEFBE 3724; ECLI:EU:C:2024:101 (Bonnanwalt tegen EUIPO), https://ie-forum.be/artikelen/hvj-eu-licht-toe-wanneer-een-advocaat-onafhankelijk-is

HvJ EU licht toe wanneer een advocaat onafhankelijk is

HvJ EU 30 januari 2024, IEF 21953, IEFbe 3724; ECLI: ECLI:EU:C:2024:101 (Bonnanwalt tegen EUIPO). In deze zaak wordt ingegaan op de genuanceerde interpretatie van het begrip “advocaat” binnen de context van het EU-recht. In casu werd door Bonnanwalt intrekking van het Uniemerk “tagesschau” gevorderd wegens non-usus. Het EUIPO trok het Uniemerk slechts gedeeltelijk in, waartegen Bonnanwalt in beroep ging en de zaak uiteindelijk bij het Hof terechtkwam. Het Gerecht achtte het beroep niet-ontvankelijk, op grond van een gebrek aan behoorlijke vertegenwoordiging in de zin van art. 51, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht en art. 19, leden 3 en 4, van het Statuut van het Hof van Justitie. De kern van het door het Gerecht gewezen arrest was het waargenomen gebrek aan onafhankelijkheid van de advocaat van Bonnanwalt, die werkte voor een kantoor dat eigendom was van de directeur van Bonnanwalt. De directeur van appellant was dus tevens de leidinggevende van het advocatenkantoor dat appellant vertegenwoordigede. Dit zou volgens het Gerecht leiden tot gelijklopende belangen tussen het advocatenkantoor en Bonnanwalt.

Het Hof maakt onderscheid tussen twee dimensies van onafhankelijkheid: het ontbreken van een arbeidsrelatie met de cliënt (negatieve dimensie) en het ontbreken van enige verbinding tussen de advocaat en zijn cliënt, in die zin dat er geen verbinding mag bestaan die duidelijk de capaciteit van de advocaat aantast in de uitvoering van zijn taak om cliënt zo goed mogelijk te beschermen met inachtneming van de wet en de beroeps- en deontologische regels (positieve dimensie). Wat betreft de negatieve dimensie moet een nuancering gemaakt worden. Alleen als de relatie een duidelijk nadelig effect heeft op het vermogen van de advocaat om de taak van de verdediging van de cliënt uit te voeren terwijl hij optreedt, zal dit tot onafhankelijkheid leiden. Het hof erkent dat een kantoor de onafhankelijkheid van een advocaat kan beperken. In onderhavig geval ontbreekt echter een directe relatie tussen de advocaat van Bonnanwalt en het bedrijf, waardoor de zorgen over onrechtmatige controle werden weggenomen. Het Hof heeft het beroep toegewezen en het arrest van het Gerecht vernietigd.

38. Das Gericht habe zutreffend ausgeführt, dass der verantwortliche Inhaber der in Rede stehenden Rechtsanwaltskanzlei eine wirksame tatsächliche Kontrolle über den Anwalt der Rechtsmittelführerin ausüben könne. Letzterer werde von einer mit der Rechtsmittelführerin verbundenen Organisationseinheit beschäftigt, so dass die negative Dimension der Definition der „Unabhängigkeit“, die das Fehlen eines Beschäftigungsverhältnisses voraussetze, fehle. Die Tatsache, dass die Rechtsmittelführerin eine juristische Person sei, ändere daran nichts.

39. Nach Ansicht der Streithelfer im ersten Rechtszug ist es zwingend erforderlich, dass zwischen der vertretenen Partei und einem Anwalt ein Verhältnis bestehe, das den Anwalt bei der Ausübung seiner Tätigkeit nicht offensichtlich beeinträchtige. Dies könne bei einem Rechtsanwalt, der eine Partei vertrete, deren Geschäftsführer der Inhaber der Rechtsanwaltskanzlei sei, deren einziger Angestellter dieser Rechtsanwalt sei, nicht der Fall sein. Als angestellter Rechtsanwalt sei der Anwalt, der die Rechtsmittelführerin vertrete, den Vorgaben und Weisungen des Kanzleiinhabers und Geschäftsführers der Rechtsmittelführerin unterworfen.

62. Im vorliegenden Fall liegen keine konkreten Anhaltspunkte dafür vor, dass der Anwalt der Rechtsmittelführerin unter der bestimmenden Kontrolle der Person gehandelt hat, die sowohl Geschäftsführerin der Anwaltskanzlei, in der der Anwalt angestellt ist, als auch der mandatserteilenden juristischen Person ist, und dass die Verbindungen zwischen dem Anwalt der Rechtsmittelführerin und Letzterer daher geeignet waren, die Fähigkeit des Anwalts offensichtlich zu beeinträchtigen, seiner Aufgabe der Vertretung durch den bestmöglichen Schutz der Interessen der Rechtsmittelführerin nachzukommen. Daher kann die Vermutung der Unabhängigkeit des betreffenden Rechtsanwalts nicht als widerlegt angesehen werden.