Gepubliceerd op donderdag 29 januari 2026
IEFBE 4174
Benelux Gerechtshof - Cour Benelux ||
15 okt 2025
Benelux Gerechtshof - Cour Benelux 15 okt 2025, IEFBE 4174; C 2024/23 (verzoekster tegen BBIE), https://ie-forum.be/artikelen/weigering-van-inschrijving-van-elixir-d-anvers-als-benelux-woordmerk-voor-likeuren-wegens-beschrijvend-karakter-en-ontbreken-van-onderscheidend-vermogen

Weigering van inschrijving van ELIXIR D’ANVERS als Benelux-woordmerk voor likeuren wegens beschrijvend karakter en ontbreken van onderscheidend vermogen

BenGH 15 oktober 2025, IEF 23437; IEFbe 4174; C 2024/23 (verzoekster tegen BBIE). In dit arrest van het Benelux-Gerechtshof staat het beroep centraal van F.X. De Beukelaer nv tegen de beslissing van het BBIE om de inschrijving van het woordmerk ELIXIR D’ANVERS voor likeuren in klasse 33 definitief te weigeren. De aanvraag was op 6 september 2023 ingediend en op 12 september 2023 gepubliceerd. Het BBIE had de inschrijving eerst voorlopig en vervolgens definitief geweigerd op grond van art. 2.11 lid 1 jo. art. 2.2bis lid 1, onder b en c, BVIE, omdat het teken volgens het Bureau beschrijvend is en onderscheidend vermogen mist. Volgens verzoekster had het BBIE niet alle omstandigheden van het geval concreet onderzocht. Zij voerde aan dat ELIXIR D’ANVERS van huis uit onderscheidend vermogen heeft, mede omdat het teken al meer dan 150 jaar in een aanzienlijk deel van de Benelux wordt gebruikt en door de betrokken kringen spontaan als merk zou worden opgevat. Verder stelde zij, onder verwijzing naar Europese rechtspraak, dat de geografische aanduiding Anvers geen kenmerk zou zijn dat eigen is aan de productcategorie likeuren, zodat de woordcombinatie niet beschrijvend zou zijn. Het BBIE voerde daartegen aan dat het teken door het relevante publiek wordt begrepen als een elixer uit Antwerpen en dus rechtstreeks de soort en geografische herkomst van de betrokken waar aanduidt. Daarnaast stelde het BBIE dat verzoekster geen toereikend bewijs had geleverd van door gebruik verkregen onderscheidend vermogen voor de gehele Benelux en dat haar beroep op andere inschrijvingen niet relevant is, omdat iedere aanvraag op haar eigen merites moet worden beoordeeld. Het Hof verklaart het beroep ontvankelijk, omdat het tijdig is ingesteld op grond van art. 1.15bis BVIE en art. 4.2 van het Reglement op de procesvoering.

Het Hof zet vervolgens het juridische kader uiteen. Op grond van art. 2.11 lid 1 BVIE weigert het BBIE de inschrijving van een merk wanneer een van de absolute weigeringsgronden van art. 2.2bis lid 1 BVIE van toepassing is. Tekens die in de handel kunnen dienen tot aanduiding van de soort, herkomst of andere kenmerken van de betrokken waren vallen onder art. 2.2bis lid 1, onder c, BVIE en moeten in beginsel vrij beschikbaar blijven voor alle marktdeelnemers. Voor geografische aanduidingen geldt daarbij een bijzonder belang van vrijhouding. Voor weigering is niet vereist dat het teken reeds daadwerkelijk beschrijvend wordt gebruikt; voldoende is dat het daartoe kan dienen. Evenmin is relevant dat andere aanduidingen gebruikelijker zouden zijn. Bij samengestelde tekens moet het merk als geheel worden beoordeeld, maar een combinatie van beschrijvende elementen blijft in de regel zelf ook beschrijvend, tenzij sprake is van een ongebruikelijke syntactische of semantische constructie. Het Hof bepaalt dat het relevante publiek bestaat uit de normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde Benelux-consument van alcoholhoudende dranken, in het bijzonder likeuren. Vervolgens stelt het vast dat niet wordt betwist dat “elixir” kan dienen om een likeur aan te duiden en dat Anvers een in de Benelux bekende Belgische stad of provincie aanduidt. De woordcombinatie ELIXIR D’ANVERS betekent daarom grammaticaal en semantisch eenvoudigweg: een elixer uit Antwerpen. Omdat het Frans een officiële taal is van België en Luxemburg, mag worden aangenomen dat die betekenis daar onmiddellijk wordt begrepen, en ook door een deel van het Nederlandstalige publiek. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat de betrokken likeuren volgens de overgelegde stukken ook daadwerkelijk in Antwerpen worden geproduceerd. Het beroep op Windsurfing Chiemsee en Neuschwanstein slaagt niet: anders dan in Neuschwanstein gaat het hier om een echte geografische plaats die door het publiek als plaats van herkomst van de waren kan worden opgevat. Het Hof komt daarom tot het oordeel dat het teken rechtstreeks de betrokken waren en hun geografische herkomst beschrijft en dus beschrijvend is in de zin van art. 2.2bis lid 1, onder c, BVIE. Daaruit volgt volgens het Hof tevens dat het teken het vereiste onderscheidend vermogen mist in de zin van art. 2.2bis lid 1, onder b, BVIE.

Het Hof verwerpt ook de overige argumenten van verzoekster. Voor zover zij met haar stukken wil aantonen dat het teken door langdurig gebruik bekend is geworden, geldt dat een merk alleen als geldig Benelux-merk kan worden aanvaard indien het onderscheidend vermogen bezit in de gehele Benelux. De overgelegde stukken, waaronder fragmenten uit vrij toegankelijke encyclopedieën, een in Antwerpen gepubliceerd boek, reclamemailings en persartikelen die hoofdzakelijk op een lokaal of Nederlandstalig publiek zijn gericht, zijn volgens het Hof onvoldoende om door gebruik verkregen onderscheidend vermogen in het hele Benelux-gebied aan te tonen. Ook het beroep op andere geografische benamingen helpt verzoekster niet, omdat zij niet duidelijk maakt of en op welke grondslag die tekens zijn ingeschreven, terwijl het Hof bovendien niet is gebonden aan eerdere inschrijvingsbeslissingen en elke aanvraag zelfstandig moet beoordelen. Hetzelfde geldt voor de door verzoekster aangehaalde beslissing van de nietigheidsafdeling van het EUIPO over het EU-woordmerk ELIXIR D’ANVERS: los van het feit dat een nietigheidsprocedure verschilt van een inschrijvingsprocedure, met name wat betreft de bewijslast, is het Benelux-Gerechtshof aan die beslissing niet gebonden. De slotsom is dan ook dat het BBIE de inschrijving van ELIXIR D’ANVERS voor de aangevraagde waren van klasse 33 terecht heeft geweigerd op grond van art. 2.2bis lid 1, onder b en c, BVIE. Het beroep wordt daarom verworpen. Verzoekster wordt veroordeeld in de kosten van het beroep bij het Hof, vastgesteld op € 1.800.

20. Voor weigering van inschrijving door het BBIE op grond van artikel 2.2bis, lid 1, sub c, van het BVIE is het niet noodzakelijk dat de tekens of benamingen waaruit het merk is samengesteld, op het moment van de inschrijvingsaanvraag daadwerkelijk worden gebruikt voor de beschrijving van waren of diensten als die waarvoor de aanvraag is ingediend, of van kenmerken van deze waren of diensten. Het is voldoende dat deze tekens en benamingen hiertoe kunnen dienen. Het is evenmin relevant of er andere tekens bestaan die gebruikelijker zijn dan het betrokken teken om dezelfde kenmerken aan te duiden. De inschrijving van een woord als merk moet op grond van deze bepaling dan ook worden geweigerd indien het in minstens één van zijn potentiële betekenissen een kenmerk van de betrokken waren of diensten aanduidt6.

21. Vanuit dit oogpunt zijn de bedoelde tekens en benamingen die welke bij normaal gebruik in de perceptie van het relevante publiek kunnen dienen om de waar of dienst waarvoor de inschrijving is aangevraagd, rechtstreeks of door vermelding van een van de wezenlijke kenmerken ervan aan te duiden.

22. Hoewel het irrelevant is of een dergelijk kenmerk uit commercieel oogpunt essentieel of bijkomstig is, moet het kenmerk objectief zijn en eigen aan de aard van de waar7.

23. Er dient te worden beoordeeld of het teken in de perceptie van het relevante publiek beschrijvend is voor de waren en diensten waarvoor de inschrijving is aangevraagd, dat wil zeggen dat het met de betrokken waren en diensten een voldoende direct en concreet verband vertoont zodat het relevante publiek in staat is onmiddellijk en zonder verder nadenken hierin een beschrijving van de betrokken waren en diensten of een van de kenmerken ervan te herkennen8.

24. Een woordmerk dat beschrijvend is voor de kenmerken van waren of diensten mist derhalve noodzakelijkerwijs onderscheidend vermogen voor dezelfde waren of diensten9. Een dergelijk merk vervult immers niet zijn wezenlijke functie, die erin bestaat om de commerciële herkomst van deze waren aan te duiden.

25. Voor de conclusie dat een merk dat wordt gevormd door een woord bestaande uit een combinatie van bestanddelen, beschrijvend is in de zin van artikel 2.2bis, lid 1, sub c, van het BVIE, is de vaststelling dat elk van deze bestanddelen beschrijvend is, onvoldoende. Het beschrijvend karakter moet worden vastgesteld voor het woord zelf10.