Gepubliceerd op maandag 2 november 2026
IEFBE 4375
Unified Patent Court (UPC) ||
8 okt 2026,
Unified Patent Court (UPC) 8 okt 2026,, IEFBE 4375; UPC-CoA-73/2026 (Esko-Software, Esko-Graphics tegen In(k)control), https://ie-forum.be/artikelen/upc-coa-geen-gekwalificeerde-elektronische-handtekening-vereist-voor-beroepschrift

UPC CoA: Geen gekwalificeerde elektronische handtekening vereist voor beroepschrift

UPC CoA 8 oktober 2026, IEF 23972; IEFbe 4375; UPC-CoA-73/2026 (Esko-Software, Esko-Graphics tegen In(k)control). In deze zaak tussen Esko-Software, Esko-Graphics en In(k)control staat de vraag centraal of een beroepschrift moet zijn voorzien van een gekwalificeerde of geavanceerde elektronische handtekening en of de procestaal op grond van artikel 49 lid 5 UPCA moet worden gewijzigd van het Nederlands naar het Engels. In(k)control had bij de lokale divisie Brussel van het UPC een inbreukprocedure aangespannen tegen Esko op basis van Europees octrooi EP 3 841 735. Esko verzocht om wijziging van de procestaal naar het Engels, onder meer omdat het octrooi in het Engels was verleend, partijen in het Engels communiceerden en een groot deel van de processtukken Engelstalig was. De voorzitter van Court of First Instance wees dit verzoek af, waarna Esko hoger beroep instelde. In(k)control stelde vervolgens de geldigheid van het beroepschrift ter discussie, omdat dit niet was voorzien van een gekwalificeerde of geavanceerde elektronische handtekening.

Het Court oordeelt dat Rule 4.1 van het RoP weliswaar vereist dat processtukken worden ondertekend en elektronisch worden ingediend, maar geen verplichting bevat om daarvoor een gekwalificeerde of geavanceerde elektronische handtekening te gebruiken. Een dergelijke verplichting volgt evenmin uit de overige bepalingen van de RoP, de UPCA of de eIDAS-verordening. Het Court benadrukt dat enkel het aanmelden bij het Case Management System (CMS) onvoldoende is: de processtukken moeten zelf worden ondertekend. In dit geval waren de handgeschreven handtekeningen van de raadslieden als scans in het beroepschrift opgenomen. Daarmee was aan het ondertekeningsvereiste voldaan en was het hoger beroep ontvankelijk. Ten aanzien van de procestaal overweegt het Court dat de voorzitter van het CFI op grond van artikel 49 lid 5 UPCA een discretionaire bevoegdheid heeft, waardoor de toetsing in hoger beroep beperkt is. De voorzitter mocht bij haar beoordeling gewicht toekennen aan de vestigingsplaats en de omvang van partijen. Beide partijen zijn gevestigd in het Nederlandstalige deel van België, terwijl In(k)control een aanzienlijk kleinere onderneming is dan Esko, dat onderdeel uitmaakt van een internationaal concern. Volgens het Court rechtvaardigen de Engelstalige octrooiverleningsprocedure, de Engelstalige stukken en de internationale activiteiten van Esko geen wijziging van de procestaal. Van een onjuiste uitoefening van de discretionaire bevoegdheid is geen sprake. Het Court wijst het hoger beroep af.

38. Uit het gebruik van Engels tijdens de verleningsprocedure bij het EOB en de verlening van het octrooi in het Engels volgt niet noodzakelijkerwijs dat ook de procedure bij het UPC in het Engels wordt gevoerd. Met de Voorzitter, ziet het Hof van Beroep niet in waarom dat in deze zaak tot problemen zou leiden bij de interpretatie van het octrooi of een goed begrip van de octrooiproblematiek zou verhinderen. Appellanten hebben dit gesteld, maar onderbouwen deze stelling niet.

39. De Voorzitter heeft terecht geoordeeld dat ook het feit dat een wezenlijk aantal overgelegde producties in het Engels is gesteld en dat daaruit in het Engels wordt geciteerd in de Memorie van Eis, geen wijziging van de procestaal naar het Engels eist. Van de in Vlaanderen gevestigde Appellanten mag worden verwacht dat zij hun positie dienaangaande (ook) in het Nederlands uiteen kunnen zetten.

40. Het feit dat de interne en externe communicatie in deze zaak veelal in het Engels plaatsvindt, zoals Appellanten stellen, maakt dat niet anders. Voor zover daarvan sprake is (Geïntimeerde betwist dat zij Engels als werktaal gebruikt en wijst op diverse communicaties tussen partijen die in het Nederlands zijn gesteld), noopt ook die omstandigheid niet tot wijziging van de procestaal naar het Engels. Beide partijen moeten in staat worden geacht om in het Nederlands te procederen, ook wanneer de voertaal op dit terrein Engels is. De Voorzitter heeft dat juist gezien