Gepubliceerd op dinsdag 17 februari 2026
IEFBE 4108
EHRM - Cour eur. D.H. ||
13 jan 2026
EHRM - Cour eur. D.H. 13 jan 2026, IEFBE 4108; ECLI:CE:ECHR:2026:0113JUD004338817 (Mladina d.d. Ljubljana tegen Slovenia), https://ie-forum.be/artikelen/politieke-satire-en-reputatiebescherming-ehrm-over-de-grenzen-van-art-10-evrm

Politieke satire en reputatiebescherming: EHRM over de grenzen van art. 10 EVRM

EHRM 13 januari 2026, IEF 23286; IEF 4108; ECLI:CE:ECHR:2026:0113JUD004338817 (Mladina d.d. Ljubljana v. Slovenia (No. 2)). In de zaak Mladina d.d. Ljubljana v. Slovenia (No. 2) stond de vraag centraal of de veroordeling van de uitgever van het Sloveense weekblad Mladina wegens een satirische publicatie in strijd was met artikel 10 EVRM (vrijheid van meningsuiting). De uitgever had in 2011 in de satirische rubriek “Mladinamit” een foto van de bekende Sloveense politicus B.G. met zijn gezin naast een foto van Joseph Goebbels met diens gezin geplaatst. De publicatie vond plaats tegen de achtergrond van een publiek debat waarin B.G. op sociale media met Goebbels was vergeleken. In hetzelfde nummer verscheen een redactioneel stuk waarin parallellen werden getrokken tussen de politieke methoden van B.G.’s partij en die van de nazi-propaganda. B.G. stelde dat de vergelijking, mede gezien de historische connotaties van Goebbels en diens betrokkenheid bij het naziregime, zijn eer en goede naam had aangetast en vorderde schadevergoeding, publicatie van het vonnis en een verontschuldiging. De uitgever voerde aan dat het ging om politieke satire gericht op B.G. als publiek figuur, dat de foto van zijn gezin op een openbare religieuze bijeenkomst was genomen en dat de vergelijking betrekking had op politieke methoden, niet op zijn privéleven of zijn gezin als zodanig. In eerste aanleg werd de vordering afgewezen, maar in hoger beroep werd geoordeeld dat met name de visuele vergelijking van de gezinsfoto’s een ontoelaatbare inbreuk vormde. Uiteindelijk werd de uitgever verplicht een verontschuldiging te publiceren en een (na matiging) schadevergoeding van € 3.000 te betalen. Het Sloveense Constitutionele Hof achtte de belangenafweging tussen de vrijheid van meningsuiting en het recht op reputatie correct uitgevoerd.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelt echter dat weliswaar sprake is van een bij wet voorziene inmenging met een legitiem doel, namelijk bescherming van de reputatie, maar dat deze inmenging niet ‘noodzakelijk in een democratische samenleving’ is. Het Hof benadrukt dat B.G. een prominente politicus is die een grotere mate van kritiek moet dulden, dat de publicatie deel uitmaakt van een lopend publiek debat over politieke propaganda en dat zij verscheen in een duidelijk satirische rubriek met een beperkte lezerskring. Volgens het Hof hadden de nationale rechters onvoldoende gewicht toegekend aan de bredere context, het satirische karakter en de beperkte impact van de publicatie. Bovendien hadden zij zich in de onderhavige procedure moeten beperken tot de reputatie van B.G. zelf, nu zijn gezinsleden reeds in afzonderlijke procedures waren gecompenseerd. De nationale autoriteiten hadden daarom geen “dringende maatschappelijke behoefte” aangetoond om de reputatie van B.G. zwaarder te laten wegen dan de vrijheid van meningsuiting van de uitgever. Het Hof concludeert dat artikel 10 EVRM was geschonden.

·      76. “The Court reiterates that,in the present case,the domestic courts were called upon to balance the applicant company’s rights against those of B.G., and not against those of B.G.’s family members, who had already obtained compensation in separate domestic proceedings (see paragraphs 31 and 64 above). Having regard to this and to the other considerations set above, the Court finds that domestic courts did not sufficiently take into account the broader context in which the impugned publication was made, including the prior lively debate about B.G. and his political methods on social media, its limited effect on the audience of Mladina and its publication in the highly satirical section of the magazine (see paragraphs 4 and 72 above).”

·      77. “It follows that the domestic courts failed to establish convincingly any pressing social need for placing the protection of B.G.’s reputation above the applicant company’s right to freedom of expression and the general interest in promoting freedom of expression where issues of public interest are concerned. This conclusion cannot be affected by the fact that the proceedings complained of were civil rather than criminal in nature (see Zybertowicz v. Poland, no. 59138/10, § 48, 17 January 2017, and Mladina d.d. Ljubljana, cited above, § 47).”

·      78. “Accordingly, the interference complained of was not “necessary in a democratic society” within the meaning of Article 10 § 2 of the Convention. 79. There has therefore been a violation of Article 10 of the Convention.”