Gepubliceerd op dinsdag 19 mei 2026
IEFBE 4222
Gerecht EU - Tribunal UE ||
13 mei 2026
Gerecht EU - Tribunal UE 13 mei 2026, IEFBE 4222; ECLI:EU:T:2026:343 (Les Éditions Albert René tegen EUIPO en WERKEN 11 MICHAŁ LUBIŃSKI), https://ie-forum.be/artikelen/obelix-en-wapens-euipo-beoordeelde-de-reputatiebescherming-te-beperkt

OBELIX en wapens: EUIPO beoordeelde de reputatiebescherming te beperkt

Gerecht EU 13 mei 2026, IEF 23565; IEFbe 4222; ECLI:EU:T:2026:343 (Les Éditions Albert René tegen EUIPO en WERKEN 11 MICHAŁ LUBIŃSKI). In dit arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 13 mei 2026 staat een nietigheidsprocedure centraal over het Uniewoordmerk Obelix, dat door WORKS 11 Michał Lubiński was geregistreerd voor wapens, munitie en aanverwante producten in klasse 13. Les Éditions Albert René, rechthebbende achter de Asterix- en Obelix-franchise, vorderde nietigverklaring op basis van haar oudere Uniewoordmerk OBELIX, geregistreerd voor onder meer waren en diensten in de klassen 9, 16, 25, 28 en 41. De vordering was gebaseerd op artikel 60 lid 1 onder a UMVo, gelezen in samenhang met artikel 8 lid 1 onder b en artikel 8 lid 5 UMVo. De nietigheidsafdeling wees het verzoek af wegens onvoldoende bewijs van normaal gebruik van het oudere merk. De Kamer van Beroep liet het normaal gebruik vervolgens uit proceseconomische overwegingen in het midden en beoordeelde de zaak alsof normaal gebruik was aangetoond. Zij oordeelde dat geen verwarringsgevaar bestond, omdat de betrokken waren en diensten ongelijksoortig waren, en dat artikel 8 lid 5 UMVo evenmin toepassing vond, omdat de reputatie van het oudere merk niet voldoende was bewezen en het relevante publiek geen verband zou leggen tussen Obelix voor wapens en het oudere merk OBELIX. Het Gerecht verwerpt de motiveringsklacht van Les Éditions Albert René: de beslissing was niet innerlijk tegenstrijdig, omdat de Kamer van Beroep normaal gebruik slechts hypothetisch aannam en vervolgens afzonderlijk de reputatie van het oudere merk beoordeelde. Ook heeft de Kamer van Beroep daarmee niet de geldigheid van het oudere merk ter discussie gesteld en evenmin geoordeeld dat namen van fictieve personages niet als merk kunnen functioneren.

Het Gerecht oordeelt echter dat de inhoudelijke beoordeling door de Kamer van Beroep gebrekkig is. Bij de beoordeling van de reputatie van OBELIX had EUIPO niet in algemene zin bewijsmateriaal mogen uitsluiten enkel omdat Obelix daarin samen met Asterix werd gebruikt. Het Uniemerkenrecht vereist niet dat reputatie uitsluitend wordt bewezen door zelfstandig gebruik van het oudere merk; twee merken kunnen gelijktijdig worden gebruikt zonder dat het onderscheidend vermogen van elk afzonderlijk merk wordt aangetast. Dit geldt temeer omdat uit het bewijs bleek dat bij Obelix of Obélix regelmatig het ®-symbool stond, soms afzonderlijk naast zowel Asterix als Obelix, waardoor het relevante publiek het teken als geregistreerd merk en dus als herkomstaanduiding kon opvatten. De reputatiebeoordeling was daarom onvolledig. Ook de subsidiaire beoordeling dat geen “verband” tussen de merken bestond, houdt geen stand. Voor artikel 8 lid 5 UMVo moet dat verband globaal worden beoordeeld aan de hand van alle relevante omstandigheden, waaronder de identiteit of gelijkenis van de tekens, de sterkte van de reputatie, de aard en afstand tussen de waren en diensten, het relevante publiek, het onderscheidend vermogen van het oudere merk en eventueel verwarringsgevaar. De Kamer van Beroep had zich te veel beperkt tot de ongelijksoortigheid van de waren en het ontbreken van overlap tussen de relevante publieken, en had ook het intrinsieke of door gebruik verkregen onderscheidend vermogen van OBELIX moeten onderzoeken. Omdat zowel de reputatiebeoordeling als de beoordeling van het vereiste verband onvolledig was, vernietigt het Gerecht de beslissing van de Kamer van Beroep. Daarmee is het merk Obelix voor klasse 13 niet rechtstreeks door het Gerecht nietig verklaard; EUIPO zal de zaak opnieuw moeten beoordelen met inachtneming van het arrest. EUIPO en de interveniënt moeten ieder hun eigen kosten dragen en elk de helft van de kosten van Les Éditions Albert René vergoeden; over de kosten van de procedure voor de Kamer van Beroep moet EUIPO opnieuw beslissen.

57       In dat verband dient te worden opgemerkt dat er in het EU-merkenstelsel geen voorschrift bestaat dat de aanvrager verplicht het gebruik van zijn oudere merk op zichzelf, onafhankelijk van enig ander merk, aan te tonen. Dit kan zich voordoen wanneer twee of meer merken gelijktijdig worden gebruikt zonder dat het onderscheidend vermogen van het geregistreerde teken wordt aangetast (zie in dit verband de arresten van 8 december 2005, Castellblanch tegen OHIM – Champagne Roederer (CRISTAL CASTELLBLANCH) , T‑29/04, EU:T:2005:438, punten 33 en 34, en van 14 december 2011, Völkl tegen OHIM – Marker Völkl (VÖLKL) , T‑504/09, EU:T:2011:739, punt 100). Bovendien kan de mogelijkheid om aan te tonen dat het oudere merk een reputatie geniet niet worden uitgesloten op grond van het enkele feit dat het samen met een andere term is verschenen (zie, naar analogie, het arrest van 29 november 2018, Louis Vuitton Malletier tegen EUIPO – Fulia Trading (LV BET ZAKŁADY BUKMACHERSKIE) , T‑373/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:850, punt 95). Hoewel het merendeel van het bewijsmateriaal betrekking heeft op het gebruik van de term 'Obelix' in de uitdrukking 'Asterix & Obelix' of 'Astérix & Obélix', kan niet worden uitgesloten dat dit bewijsmateriaal voldoende is om aan te tonen dat de term 'Obelix' als handelsmerk werd gebruikt en dat het oudere merk een reputatie als merk heeft verworven.

76       In dat verband erkende het EUIPO tijdens de hoorzitting dat, om een ​​dergelijk verband te kunnen beoordelen, het noodzakelijk zou zijn om een ​​chronologie en een mate van reputatie vast te stellen, wat in de onderhavige zaak niet was gebeurd, aangezien het EUIPO was uitgegaan van een vermoeden van reputatie. Bovendien erkende het dat de uniciteit en de inherente onderscheidendheid van het oudere merk ook factoren zijn waarmee rekening moet worden gehouden. Bijgevolg, zoals het EUIPO tijdens de hoorzitting ook erkende, heeft de Raad van Beroep zich ten onrechte uitsluitend gericht op het verschil tussen de betreffende goederen en diensten en het ontbreken van enige overlap tussen de relevante publieken als rechtvaardiging voor het ontbreken van een verband tussen de merken in kwestie.

80       Hieruit volgt dat de Raad van Beroep heeft nagelaten het bestaan ​​van een verband tussen de betreffende merken te beoordelen op basis van alle relevante factoren en aldus artikel 8(5) van Verordening 2017/1001 heeft geschonden.