Gepubliceerd op dinsdag 8 september 2026
IEFBE 4293
HvJ EU - CJUE ||
8 sep 2026,
HvJ EU - CJUE 8 sep 2026,, IEFBE 4293; ECLI:EU:C:2026:721 (Inter IKEA Systems), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-politieke-parodie-rechtvaardigt-gebruik-bekend-merk-alleen-als-belang-van-gebruiker-zwaarder-weegt

HvJ EU: politieke parodie rechtvaardigt gebruik bekend merk alleen als belang van gebruiker zwaarder weegt

HvJ EU 8 september 2026, IEF 23802; IEFbe 4293; ECLI:EU:C:2026:721 (Inter IKEA Systems). In het arrest Inter IKEA Systems (C-298/23) beantwoordt de Grote kamer van het Hof van Justitie prejudiciële vragen van de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel over de verhouding tussen de bescherming van bekende merken en de vrijheid van meningsuiting. Aanleiding is de campagne van Vlaams Belang uit 2022 onder de titel “IKEA-plan – Immigratie Kan Echt Anders”, waarin een politiek programma over de hervorming van het Belgische asiel- en immigratiebeleid werd gepresenteerd met tekens en visuele elementen die verwezen naar de bekende IKEA-merken en naar de montagehandleidingen van IKEA. Inter IKEA stelde wegens dit gebruik een merkinbreukvordering in tegen onder meer Algemeen Vlaams Belang en Vrijheidsfonds; de verwijzende rechter verklaarde die vordering uitsluitend ten aanzien van Vrijheidsfonds ontvankelijk. Vrijheidsfonds, dat de campagne namens en voor rekening van Vlaams Belang of zijn vertegenwoordigers voerde, erkende de IKEA-merken zonder toestemming te hebben gebruikt en stelde dat de bekendheid daarvan was benut om de politieke boodschap kracht bij te zetten en de verspreiding ervan te vergroten. De verwijzende rechter vraagt of de vrijheid van meningsuiting, waaronder politieke meningsuiting en politieke parodie, een “geldige reden” kan vormen in de zin van artikel 9 lid 2 onder c UMVo en artikel 10 lid 2 onder c en lid 6 Merkenrichtlijn. Het Hof maakt daarbij eerst onderscheid tussen twee juridische routes. Artikel 9 lid 2 onder c UMVo en artikel 10 lid 2 onder c Merkenrichtlijn zien op gebruik van een bekend merk in het economische verkeer voor waren of diensten. Artikel 10 lid 6 Merkenrichtlijn laat daarentegen nationale bescherming toe tegen gebruik anders dan ter onderscheiding van waren of diensten; voor Benelux-merken is die bescherming opgenomen in artikel 2.20 lid 2 onder d BVIE. Een dergelijk gebruik kan zowel binnen als buiten het economische verkeer plaatsvinden, maar is in ieder geval geen gebruik voor waren of diensten. Het Hof kan op basis van de verwijzingsbeslissing niet vaststellen onder welke route het gebruik door Vrijheidsfonds valt en laat die beoordeling aan de nationale rechter. Daarbij is van belang dat ook een vereniging zonder winstoogmerk in het economische verkeer kan handelen wanneer zij als marktdeelnemer optreedt. Een politiek programma is op zichzelf geen waar of dienst, maar gebruik van een merk bij bijvoorbeeld politieke bijeenkomsten, op reclamemateriaal of in promotionele onlinecontent kan onder omstandigheden wel als gebruik voor waren of diensten worden aangemerkt.

Voor de bescherming van bekende merken op grond van artikel 9 lid 2 onder c UMVo en artikel 10 lid 2 onder c Merkenrichtlijn geldt eerst dat de merkhouder moet aantonen dat door het gebruik daadwerkelijk ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit of afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk, dan wel dat een ernstig gevaar bestaat dat een dergelijke aantasting zich in de toekomst zal voordoen. Bij free riding gaat het om het profijt dat de derde zonder vergoeding haalt uit de aantrekkingskracht, reputatie en het prestige van het bekende merk; daarvoor is niet vereist dat de merkhouder zelf schade lijdt. Heeft de merkhouder een relevante aantasting of een ernstig gevaar daarvoor aangetoond, dan rust op de derde de bewijslast dat voor zijn gebruik een “geldige reden” bestaat. Het Hof oordeelt dat dit begrip niet alleen objectief dwingende redenen omvat, maar ook kan aanknopen bij subjectieve belangen van de derde. Het door artikel 17 lid 2 Handvest beschermde intellectuele-eigendomsrecht is immers niet absoluut en moet worden afgewogen tegen onder meer de door artikel 11 Handvest gewaarborgde vrijheid van meningsuiting. Die vrijheid kan daarom in beginsel een geldige reden vormen, maar een derde kan niet volstaan met een algemeen beroep daarop: hij moet de concrete redenen voor het merkgebruik uiteenzetten en aantonen dat zijn vrijheid van meningsuiting in de omstandigheden van het geval zwaarder weegt dan de rechten en belangen van de merkhouder. De nationale rechter moet daarbij alle relevante omstandigheden beoordelen. Van bijzonder belang zijn het oogmerk en de goede trouw van de derde: het gebruik mag niet zijn bedoeld om het merk schade toe te brengen of uitsluitend in het kielzog van een bekend merk te varen. Relevant is onder meer of het merk wordt gebruikt om een mening over het merk, de merkhouder, diens handelspraktijken, waren of diensten uit te drukken, om een debat van algemeen belang te voeren, of omdat het gebruik in de concrete context anderszins noodzakelijk is, bijvoorbeeld vanwege de taalkundige betekenis van een bestanddeel van het merk of omdat het merk een publieke culturele referentie of onderdeel van het dagelijks taalgebruik is geworden. Daarnaast moet worden gekeken naar het algemene belang van de uiting en het al dan niet strikt commerciële karakter ervan. Politieke uitingen en bijdragen aan debatten van algemeen belang genieten daarbij een bijzonder sterke bescherming. Ook satire en parodie verdienen bijzondere aandacht. Daartegenover staan de gevolgen voor de merkhouder: onder meer de intensiteit, omvang en modaliteiten van het gebruik, de bekendheid van het merk, de mate van overeenstemming en het gevaar dat het publiek ten onrechte denkt dat de merkhouder de politieke boodschap ondersteunt. Een merkhouder kan bij aanwezigheid van een geldige reden verplicht zijn enige aantasting te tolereren, maar niet wanneer het gebruik onevenredige schade veroorzaakt of de essentie van zijn uitsluitende recht aantast.

Toegepast op de IKEA-campagne geeft het Hof de verwijzende rechter duidelijke aanwijzingen. IKEA is een door de merkhouder gecreëerd acroniem en heeft geen zelfstandige semantische betekenis die het gebruik ervan in deze context noodzakelijk maakte; evenmin blijkt dat het merk een publieke culturele referentie is geworden of deel uitmaakt van het dagelijks taalgebruik. Vrijheidsfonds gebruikte de merken bovendien niet om een debat over IKEA, haar producten of haar handelspraktijken te voeren. Het debat over asiel- en immigratiebeleid is weliswaar een debat van algemeen belang en de verwijzende rechter lijkt het gebruik als politieke parodie aan te merken, maar dat debat houdt volgens het Hof geen verband met de IKEA-merken als zodanig. Het gebruik lijkt zich daarmee te beperken tot het varen in het kielzog van de bekende merken. Daarbij werden tekens gebruikt die zeer sterk overeenstemden met of zelfs gelijk waren aan de IKEA-merken, inclusief visuele elementen die daarop wezen. Het gebruik vond bovendien herhaaldelijk plaats en werd via internet onder een potentieel onbeperkt publiek verspreid. Verder kan niet worden uitgesloten dat bij het relevante publiek de indruk ontstond dat IKEA de politieke boodschap ondersteunde, terwijl Inter IKEA zich op politieke neutraliteit beroept. Vanwege de intensiteit, omvang en modaliteiten van het gebruik kan aanzienlijke schade worden toegebracht aan de reputatie van de merken en de belangen van Inter IKEA. Het Hof oordeelt daarom dat niet blijkt dat het belang van Vrijheidsfonds bij zijn politieke meningsuiting in deze omstandigheden zwaarder weegt dan de rechten en belangen van Inter IKEA en daarmee een geldige reden oplevert; de uiteindelijke beoordeling blijft evenwel aan de verwijzende rechter. Voor gebruik anders dan ter onderscheiding van waren of diensten op grond van artikel 10 lid 6 Merkenrichtlijn geldt dezelfde uitleg van “geldige reden” en dezelfde grondrechtenafweging. Niet-commerciële meningsuiting kan daarbij wel ruimere bescherming genieten dan strikt commerciële uitingen, zodat de uitkomst van de afweging onder artikel 10 lid 6 niet noodzakelijk dezelfde hoeft te zijn als onder artikel 9 lid 2 onder c UMVo en artikel 10 lid 2 onder c Merkenrichtlijn. In deze concrete zaak lijkt dat verschil volgens het Hof echter geen andere uitkomst te rechtvaardigen, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter.

111    Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

Artikel 9, lid 2, onder c), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk en artikel 10, lid 2, onder c), en lid 6, van richtlijn (EU) 2015/2436 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten, gelezen in samenhang met artikel 11 en artikel 17, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

moeten aldus worden uitgelegd dat

wanneer een derde een teken gebruikt dat gelijk is aan of overeenstemt met een bekend merk, de vrijheid van meningsuiting van deze derde, daaronder begrepen de vrijheid om politieke meningen te verkondigen en de politieke parodie, een geldige reden in de zin van deze bepalingen kan vormen, op voorwaarde dat bij de afweging van de betrokken rechten deze vrijheid zwaarder weegt dan het uitsluitende recht van de houder van dat merk. Bij deze afweging, waarvan het resultaat niet noodzakelijkerwijs hetzelfde hoeft te zijn na de afweging die wordt verricht in het kader van, enerzijds, artikel 10, lid 2, onder c), van richtlijn 2015/2436 of artikel 9, lid 2, onder c), van verordening 2017/1001 en, anderzijds, artikel 10, lid 6, van die richtlijn, moet de nationale rechter rekening houden met alle relevante omstandigheden van het concrete geval, waaronder met name:

–        het oogmerk van de derde, waarbij het betrokken gebruik moet zijn ingegeven door de doelstelling van die derde om zijn vrijheid van meningsuiting te goeder trouw uit te oefenen, hetgeen met name het geval is wanneer dat gebruik plaatsvindt om een idee of mening over te brengen in verband met het bekende merk als zodanig, de houder van dat merk, zijn handelspraktijken of zijn waren of diensten, of wanneer dat gebruik plaatsvindt om een debat van algemeen belang op gang te brengen of te voeden, of nog wanneer het gebruik om andere redenen – zoals de taalkundige betekenis van een bestanddeel van dat merk of het feit dat dit merk een publieke culturele referentie is geworden of deel is gaan uitmaken van het dagelijks taalgebruik – noodzakelijk is voor de uitoefening van deze vrijheid in de gegeven context;

–        de vraag of de betrokken meningsuiting bijdraagt tot een debat van algemeen belang en of deze uiting al dan niet plaatsvindt in een strikt commerciële context;

–        de gevolgen die het gebruik door de derde van een aan een bekend merk gelijk of daarmee overeenstemmend teken kan hebben voor de houder van dat merk of voor de essentie zelf van het aan de inschrijving van dat merk verbonden uitsluitende recht, met name gelet op de intensiteit, de omvang en de modaliteiten van dat gebruik, de mate van bekendheid van dit merk, de mate waarin het gebruikte teken overeenstemt met dit merk en, in voorkomend geval, het feit dat dit gebruik de indruk kan wekken dat die houder instemt met de overgebrachte politieke boodschap of gepromote politieke ideeën, of deze op enigerlei wijze ondersteunt, terwijl de door deze houder uitgedragen waarden gebaseerd zijn op neutraliteit ten opzichte van elke politieke partij of onverenigbaar zijn met die politieke boodschap.