Gepubliceerd op dinsdag 14 april 2026
IEFBE 4187
HvJ EU - CJUE ||
14 apr 2026
HvJ EU - CJUE 14 apr 2026, IEFBE 4187; ECLI:EU:C:2026:290 (CG en YN tegen Pelham GmbH, SD en OMHOOG), https://ie-forum.be/artikelen/hvj-eu-pastiche-exceptie-is-geen-restcategorie-sampling-kan-eronder-vallen-bij-een-herkenbare-artistieke-of-creatieve-dialoog

HvJ EU: pastiche-exceptie is geen restcategorie; sampling kan eronder vallen bij een herkenbare artistieke of creatieve dialoog

HvJ EU 14 april 2026, IEF 23472; 4187; ECLI:EU:C:2026:290 (CG en YN tegen Pelham GmbH, SD en OMHOOG). In dit arrest geeft het Hof van Justitie een autonome Unierechtelijke uitleg aan het begrip ‘pastiche’ in artikel 5, lid 3, onder k, van Richtlijn 2001/29, in het kader van de langlopende Pelham/Kraftwerk-zaak over de overname van een circa twee seconden durende ritmische sequentie uit Metall auf Metall in het nummer Nur mir. Het Hof stelt voorop dat de pastiche-exceptie geen vangnetbepaling is voor iedere vorm van creatief of artistiek gebruik van bestaand beschermd materiaal. Van een pastiche is slechts sprake bij creaties die aan een of meer bestaande werken herinneren, daarvan waarneembaar verschillen, en bepaalde auteursrechtelijk beschermde kenmerkende elementen van die werken gebruiken om met die werken een als zodanig herkenbare artistieke of creatieve dialoog aan te gaan. Die dialoog kan verschillende vormen aannemen, zoals een openlijke stijlnabootsing, een hommage of een humoristische of kritische confrontatie, maar het Hof benadrukt dat humor, bespotting, stijlnabootsing of eerbetoon geen noodzakelijke vereisten zijn. Tegelijk sluit het Hof uit dat verborgen imitatie of plagiaat onder de exceptie valt: het moet gaan om open en herkenbaar gebruik. Daarmee zoekt het Hof, in het licht van de doelstelling van Richtlijn 2001/29 en de artikelen 11, 13 en 17 van het Handvest, een rechtvaardig evenwicht tussen de bescherming van auteurs- en naburige rechten enerzijds en de vrijheid van meningsuiting en artistieke vrijheid anderzijds.

Voor sampling betekent dit arrest dat de overname van een voor het oor herkenbaar audiofragment uit een bestaande geluidsopname in beginsel binnen het exclusieve reproductierecht van de fonogramproducent kan vallen, maar onder omstandigheden door de pastiche-exceptie kan worden gerechtvaardigd. Het Hof oordeelt dus niet dat sampling als zodanig vrij is, en ook niet zelf dat Nur mir een toegelaten pastiche vormt; het formuleert alleen de Unierechtelijke maatstaf, waarna het aan het Bundesgerichtshof is om die op de feiten toe te passen. Verder verwerpt het Hof een subjectieve bedoelingstoets: voor gebruik “met het oog op” een pastiche hoeft niet te worden vastgesteld dat de gebruiker daadwerkelijk het voornemen had een pastiche te maken. Voldoende is dat het pastiche-karakter objectief herkenbaar is voor iemand die het oorspronkelijke werk kent en over het vereiste intellectuele begripsvermogen beschikt. Juridisch komt het arrest er dus op neer dat de pastiche-exceptie wel ruimte biedt voor artistieke herneming van beschermde elementen, ook via sampling, maar alleen wanneer het nieuwe werk in objectief herkenbare vorm een eigen, van het bronwerk afwijkende en daarmee dialogerende creatie oplevert.

Om deze redenen heeft het Hof (Grote Kamer) het volgende besloten:

1.       Artikel 5(3)(k) van Richtlijn 2001/29/EC van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en verwante rechten in de informatiemaatschappij

moet als volgt worden geïnterpreteerd:

De uitzondering voor 'pastiches' in deze bepaling is geen algemene bepaling, maar omvat creaties die doen denken aan een of meer bestaande werken, terwijl ze tegelijkertijd merkbare verschillen vertonen, en die, onder andere door middel van 'sampling', elementen van de auteursrechten van deze werken gebruiken om een ​​artistieke of creatieve dialoog met deze werken aan te gaan die als zodanig herkenbaar is en verschillende vormen kan aannemen, waaronder een openlijke imitatie van de stijl van deze werken, een eerbetoon eraan, of een humoristische of kritische benadering ervan.

2.       Artikel 5(3)(k) van Richtlijn 2001/29

moet als volgt worden geïnterpreteerd:

Voor de toepassing van deze bepaling is het voldoende dat het personage als "pastiche" herkenbaar is voor iedereen die bekend is met het bestaande werk waaruit deze elementen zijn overgenomen.