Gepubliceerd op dinsdag 24 maart 2026
IEFBE 4152
Gerecht EU - Tribunal UE ||
19 mrt 2026
Gerecht EU - Tribunal UE 19 mrt 2026, IEFBE 4152; ECLI:EU:T:2026:201 (Grzegorz Mordalski tegen EUIPO en Anita Food, SA), https://ie-forum.be/artikelen/gerecht-wijst-beroep-van-mordalski-af-omdat-een-reeds-vervallen-uniemerk-niet-meer-nietig-kan-worden-verklaard

Gerecht wijst beroep van Mordalski af omdat een reeds vervallen Uniemerk niet meer nietig kan worden verklaard

Gerecht EU 19 maart 2026, IEF 23391; IEFbe 4152;  ECLI:EU:T:2026:201 (Grzegorz Mordalsk tegen EUIPO en Anita Food, SA). In deze zaak verzocht Grzegorz Mordalski om nietigverklaring van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 5 februari 2025. Die beslissing betrof zijn verzoek tot nietigverklaring van een figuratief Uniemerk van Anita Food SA, dat was aangevraagd op 18 februari 2009, geregistreerd op 27 januari 2010 en, bij gebrek aan verlenging, waarvan de registratie was vervallen op 18 februari 2019. Mordalski had zelf in 2016 in Polen een nationaal merk aangevraagd, maar dat was in 2020 geweigerd wegens gevaar voor verwarring met onder meer dit oudere Uniemerk. Daarop diende hij op 1 november 2020 bij het EUIPO een verzoek tot nietigverklaring van dat Uniemerk in op grond van artikel 60, lid 1, onder a, van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 1, onder a en b, maar gelet op de datum van de Uniemerkaanvraag moest het Gerecht voor de materiële beoordeling uitgaan van de overeenkomstige bepalingen van verordening nr. 40/94, namelijk artikel 52, lid 1, onder a, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 1. De annuleringsafdeling had dat verzoek op 7 juni 2024 afgewezen omdat de registratie op het moment van het verzoek al was verstreken, en de kamer van beroep had dat oordeel bevestigd.

Het Gerecht volgt die redenering en oordeelt dat uit de gezamenlijke lezing van artikel 1, lid 1, en artikel 52, lid 1, van verordening nr. 40/94 volgt dat nietigheid in beginsel alleen kan worden uitgesproken ten aanzien van een bestaand geregistreerd Uniemerk. Een merk waarvan de registratie al is verstreken, valt daar dus normaal gesproken niet meer onder. Dat het verval van een merk slechts ex nunc werkt, terwijl een nietigverklaring ex tunc werkt, maakt dat niet anders. Volgens het Gerecht kan dat verschil in rechtsgevolgen geen uitleg rechtvaardigen die in strijd is met de duidelijke bewoordingen van de verordening. Ook het argument dat in het modellenrecht wel uitdrukkelijk is bepaald dat nietigheid nog na het einde van het recht kan worden uitgesproken, helpt Mordalski niet: juist het ontbreken van een vergelijkbare bepaling in het merkenrecht bevestigt volgens het Gerecht dat zo’n mogelijkheid daar niet bestaat. Zijn beroep op overweging 3 van richtlijn 2015/2436 faalt omdat een considerans niet kan afdoen aan de tekst van een verordening, en zijn beroep op artikel 7 VWEU wegens vermeende systematische inconsistentie tussen merken en modellen wordt eveneens verworpen omdat merken en modellen verschillende doelen dienen en onder verschillende regelingen vallen. Het Gerecht verklaart het beroep daarom kennelijk zonder enige rechtsgrondslag en wijst het in zijn geheel af. Omdat het EUIPO alleen om een proceskostenveroordeling had gevraagd voor het geval een zitting zou plaatsvinden, en er geen zitting is gehouden, draagt iedere partij haar eigen kosten.

28       Het argument van de aanvrager, gebaseerd op het verschil in gevolgen van het vervallen en het nietig verklaren van een handelsmerk, en op grond waarvan dit verschil rechtvaardigt dat Verordening nr. 40/94 aldus wordt uitgelegd  dat de nietigverklaring van een vervallen handelsmerk is toegestaan, zodat de ex tunc-gevolgen van de nietigverklaring kunnen optreden, moet derhalve worden verworpen. De gevolgen van het vervallen van een handelsmerk zijn weliswaar verschillend van de gevolgen van de nietigverklaring ervan. In het eerste geval houdt het vervallen merk, overeenkomstig artikel 53(8) van Verordening 2017/1001, dat in dit geval van toepassing is (zie punt 19 hierboven), op te bestaan ​​op de dag na het vervallen ervan en treedt de nietigverklaring op diezelfde datum in werking, terwijl in het tweede geval, overeenkomstig artikel 54(2) van Verordening nr. 40/94  , dat in dit geval van toepassing is (zie punt 18 hierboven), het nietig verklaard merk geacht wordt van meet af aan niet de in die verordening voorziene gevolgen te hebben gehad. Het verschil in gevolgen van het vervallen en het nietig verklaren van een merk kan echter geen rechtvaardiging vormen voor een interpretatie van artikel 52(1)(a) van Verordening nr. 40/94  , gelezen in samenhang met artikel 1 ( 1) van dezelfde Verordening, die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. Zoals in punt 26 hierboven is opgemerkt, volgt uit de bewoordingen van artikel 1 ( 1) en artikel 52(1)(a) van Verordening nr. 40/94  dat nietigheid normaal gesproken alleen kan worden verklaard tegen een handelsmerk van de Europese Unie waarvan de registratie nog niet is verlopen (zie in die zin het Besluit van 14 maart 2023, ANITA, T-254/22, niet gepubliceerd, EU:T:2023:146, punt 28).

29       De Raad van Beroep heeft derhalve terecht geoordeeld dat een verzoek tot nietigverklaring niet kan worden ingediend tegen een handelsmerk dat niet langer bestaat vanwege het verstrijken van de registratietermijn.