9 sep 2026,
Gerecht: verwarringsgevaar tussen LOTO DEL SVR en ouder Uniemerk SVR voor cosmetica
Gerecht EU 9 september 2026, IEF 23810; IEFbe 4296; ECLI:EU:T:2026:546 (LOTO DEL SVR). Het Gerecht verwerpt het beroep van Cosmetika tegen de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO, waarbij de inschrijving van het aangevraagde beeldmerk LOTO DEL SVR voor een groot deel van de waren in klasse 3 was geweigerd wegens verwarringsgevaar met het oudere Uniewoordmerk SVR van Laboratoires Svr. Cosmetika betoogde onder meer dat de kamer van beroep haar beoordeling niet had mogen baseren op de perceptie van het Italiaanstalige publiek, omdat de oppositieafdeling haar beoordeling op het Spaanstalige publiek had toegespitst. Het Gerecht verwerpt dat betoog. Vanwege de functionele continuïteit binnen het EUIPO en het devolutieve karakter van het beroep moet de kamer van beroep de oppositie volledig opnieuw beoordelen. Bovendien volstaat bij een ouder Uniemerk dat verwarringsgevaar bestaat bij een deel van het relevante publiek in de Unie. Laboratoires Svr hoefde daarom geen incidenteel beroep in te stellen om argumenten over onder meer het Italiaanstalige publiek aan te voeren. Ook mocht de kamer van beroep het voor het eerst in beroep overgelegde aanvullende bewijs daarover toelaten, omdat dit relevant was en reeds eerder ingediend bewijs aanvulde. Van schending van het recht om te worden gehoord was geen sprake, nu Cosmetika gelegenheid had gekregen om op deze argumenten te reageren. De twee marktstudies die Cosmetika pas bij het Gerecht overlegde, worden buiten beschouwing gelaten omdat zij dateren van na de bestreden beslissing en geen deel uitmaakten van het dossier voor het EUIPO.
Ook de beoordeling van het verwarringsgevaar op grond van artikel 8, lid 1, onder b, van Verordening 2017/1001 houdt stand. De betrokken waren in klasse 3 zijn identiek of soortgelijk en het relevante publiek heeft in wezen een gemiddeld aandachtsniveau. De tekens stemmen overeen in het element SVR, dat het oudere merk volledig vormt en in het aangevraagde merk integraal wordt overgenomen. Voor het Italiaanstalige publiek heeft ‘svr’ geen betekenis en beschikt het over een gemiddeld onderscheidend vermogen, terwijl ‘loto’ naar de lotus verwijst en voor cosmetica zwak onderscheidend is en ‘dl’ slechts als verbindend element wordt opgevat. De tekens zijn gemiddeld visueel en fonetisch overeenstemmend; een begripsmatige vergelijking is niet mogelijk omdat de tekens als geheel geen specifiek vergelijkbaar begrip overbrengen. Bij de globale beoordeling neemt het element SVR in het aangevraagde merk volgens het Gerecht een zelfstandige en dominante positie in. Daardoor kan het Italiaanstalige publiek met een gemiddeld aandachtsniveau menen dat LOTO DEL SVR een submerk van een SVR-productlijn is en dat de identieke of soortgelijke waren dezelfde commerciële herkomst hebben. Het Gerecht bevestigt daarom het door de kamer van beroep vastgestelde verwarringsgevaar, verwerpt het beroep in zijn geheel en bepaalt dat Cosmetika en het EUIPO ieder hun eigen proceskosten dragen.
3. The comparison of the signs
78 According to the case-law, two marks are similar when, from the point of view of the relevant public, they are at least partially identical as regards one or more relevant aspects (see judgment of 28 January 2026, Montepelayo v EUIPO – TRON (TELOTRÓN), T‑203/25, not published, EU:T:2026:50, paragraph 36 and the case-law cited).
79 The global assessment of the likelihood of confusion must, so far as concerns the visual, phonetic or conceptual similarity of the signs at issue, be based on the overall impression given by the signs, bearing in mind, in particular, their distinctive and dominant elements. The perception of the marks by the average consumer of the goods or services in question plays a decisive role in the global assessment of that likelihood of confusion. In that regard, the average consumer normally perceives a mark as a whole and does not engage in an analysis of its various details (see judgment of 12 June 2007, OHIM v Shaker, C‑334/05 P, EU:C:2007:333, paragraph 35 and the case-law cited).
80 In addition, it must be noted that the greater or lesser degree of distinctiveness of the elements common to a mark applied for and an earlier mark is one of the relevant factors in the assessment of the similarity of the signs (see, to that effect, judgments of 25 March 2010, Nestlé v OHIM – Master Beverage Industries (Golden Eagle and Golden Eagle Deluxe), T‑5/08 to T‑7/08, EU:T:2010:123, paragraph 61, and of 18 May 2011, Glenton España v OHIM – Polo/Lauren (POLO SANTA MARIA), T‑376/09, not published, EU:T:2011:225, paragraph 35).
81 For the purpose of assessing the distinctive character of an element of a mark, an assessment must be made of the greater or lesser capacity of that element to identify the goods or services for which the mark was registered as coming from a particular undertaking, and thus to distinguish those goods or services from those of other undertakings. In making that assessment, account should be taken, in particular, of the inherent characteristics of the element in question in the light of whether it is at all descriptive of the goods or services for which the mark has been registered (judgments of 13 June 2006, Inex v OHIM – Wiseman (Representation of a cowhide), T‑153/03, EU:T:2006:157, paragraph 35, and of 27 February 2008, Citigroup v OHIM – Link Interchange Network (WORLDLINK), T‑325/04, not published, EU:T:2008:51, paragraph 66).
82 In the present case, before addressing the question of the visual, phonetic and conceptual similarity of the signs at issue, the assessment carried out by the Board of Appeal of the distinctive and dominant elements of those signs must be examined.