Gepubliceerd op dinsdag 17 maart 2026
IEFBE 4131
Gerecht EU - Tribunal UE ||
14 jan 2026
Gerecht EU - Tribunal UE 14 jan 2026, IEFBE 4131; ECLI:EU:T:2026:5 (Atlas Invest BV tegen EUIPO), https://ie-forum.be/artikelen/gerecht-vernietigt-weigering-van-het-merk-biotechusa-uitsluitend-voor-verplaatsbare-gevulde-apothekersdozen

Gerecht vernietigt weigering van het merk BioTechUSA uitsluitend voor ‘verplaatsbare, gevulde apothekersdozen’

Gerecht EU 14 januari 2026, IEF 23354; IEFbe 4131; ECLI:EU:T:2026:5 (Atlas Invest BV tegen EUIPO). In dit arrest staat de aanvraag centraal voor het figuratieve Uniemerk BioTechUSA voor een groot aantal waren en diensten in de klassen 5, 29, 30, 32 en 35, met name voedingssupplementen, verrijkte levensmiddelen, dranken en detailhandels-, groothandels- en reclamediensten voor die producten. De examinator had de aanvraag gedeeltelijk geweigerd op grond van art. 7 lid 1, onder b en c, UMVo, gelezen in samenhang met art. 7 lid 2 UMVo. De Vierde Kamer van Beroep handhaafde die weigering voor de betrokken waren en diensten, wees het beroep voor andere waren en diensten wél toe en verwees de zaak terug naar de examinator voor onderzoek van het beroep op verkregen onderscheidend vermogen door gebruik. Volgens de Kamer van Beroep was het woordelement “BioTechUSA” beschrijvend, omdat het door het Engelstalige relevante publiek onmiddellijk zou worden opgevat als een verwijzing naar biotechnologie (“biotech”) uit de Verenigde Staten (“USA”). Het teken bracht daarmee volgens de Kamer van Beroep de boodschap over dat de betrokken waren en diensten betrekking hebben op biotechnologie van Amerikaanse oorsprong of op in de Verenigde Staten ontwikkelde biotechnologie. Het Gerecht volgt dat oordeel grotendeels. Het stelt voorop dat voor toepassing van art. 7 lid 1, onder c, UMVo is vereist dat een teken een voldoende rechtstreeks en concreet verband heeft met de betrokken waren of diensten, zodat het relevante publiek daarin onmiddellijk en zonder verdere gedachte een beschrijving van die waren, diensten of een kenmerk daarvan ziet. Aan dat criterium is volgens het Gerecht voldaan voor vrijwel alle geweigerde waren en diensten, omdat voedingssupplementen, verrijkte levensmiddelen, dranken en de daarmee samenhangende handels- en reclamediensten kunnen zijn ontwikkeld op basis van biotechnologie of daarvan kunnen zijn afgeleid. Dat geldt ook voor producten als pindakaas, soep, melkdranken, koffie, thee, rijst, pasta, suiker, honing, specerijen, frisdranken en smoothies. De figuratieve vormgeving doet daar niet aan af, omdat die volgens het Gerecht niet meer inhoudt dan een banale stilering van het woordelement, zonder voldoende creatieve of originele grafische impact om het beschrijvende karakter weg te nemen. Ook eerdere EUIPO-inschrijvingen met “biotech” of zelfs een identiek teken kunnen Atlas Invest niet baten, omdat de rechtmatigheid van een beslissing moet worden beoordeeld aan de hand van de UMVo en niet aan de hand van eerdere beslissingspraktijk.

Alleen voor één warencategorie komt het Gerecht tot een andere conclusie, namelijk voor “verplaatsbare, gevulde apothekersdozen” in klasse 5. Voor die waren ontbreekt volgens het Gerecht een voldoende rechtstreeks en concreet verband met de betekenis van “BioTechUSA”, omdat dergelijke producten niet bekendstaan als waren die op biotechnologie zijn gebaseerd of daarvan zijn afgeleid. Voor die waren is het teken dus niet beschrijvend in de zin van art. 7 lid 1, onder c, UMVo. Daarom kan ook de afwijzing wegens gebrek aan onderscheidend vermogen op grond van art. 7 lid 1, onder b, UMVo voor juist die waren niet in stand blijven, nu de Kamer van Beroep dat oordeel uitsluitend had gebaseerd op het vermeende beschrijvende karakter. Het derde middel, ontleend aan schending van de motiveringsplicht van art. 94 lid 1 UMVo, verwerpt het Gerecht. De Kamer van Beroep hoefde niet uitdrukkelijk op elk overgelegd stuk of ieder afzonderlijk argument in te gaan, zolang uit de beslissing maar duidelijk bleek waarom het teken beschrijvend werd geacht; aan die eis was volgens het Gerecht voldaan. Het beroep slaagt dus slechts gedeeltelijk: het Gerecht vernietigt de beslissing van de Kamer van Beroep uitsluitend voor zover die betrekking heeft op “verplaatsbare, gevulde apothekersdozen” in klasse 5, en verwerpt het beroep voor het overige. Iedere partij draagt haar eigen kosten in de procedure voor het Gerecht.

60       Ten eerste zijn de verklaringen en het doel van de maker irrelevant, aangezien zij geen invloed hebben op de perceptie van het aangevraagde merk door het betreffende publiek. Hetzelfde geldt voor de bewering van de aanvrager dat het figuratieve element van het aangevraagde merk onderscheidend is, aangezien, overeenkomstig de in punt 24 hierboven uiteengezette jurisprudentie, de doorslaggevende vraag is of dat figuratieve element de aandacht van het betreffende publiek afleidt van de beschrijvende boodschap die het overbrengt.

61       Ten tweede moet met betrekking tot de PC3-mededeling worden opgemerkt dat een dergelijke mededeling geen juridisch bindende handeling vormt voor de interpretatie van bepalingen van het EU-recht [zie in die zin het arrest van 23 oktober 2024, Jima Projects tegen EUIPO – Salis Sulam (Weergave van twee parallelle strepen aan één zijde van een sportschoen), T-307/23, niet gepubliceerd, EU:T:2024:731, punt 55 en de daarin aangehaalde jurisprudentie]. Bovendien blijkt uit die mededeling duidelijk dat het lettertype een voldoende impact moet hebben op het betreffende merk om het onderscheidend te maken, wat hier niet het geval is, zoals de Kamer van Beroep terecht opmerkte in punt 52 van de bestreden beslissing.

62       Ten derde, wat betreft het feit dat de aanvraag tot registratie van een EU-merk voor het figuratieve teken , ingediend onder nummer 018855841  , niet is afgewezen door de examinator van het EUIPO, dient te worden opgemerkt dat noch de Raad van Beroep, noch het Gerecht gebonden kan zijn aan de door laatstgenoemde genomen beslissingen. Het zou met name in strijd zijn met de toezichthoudende rol van de Raad van Beroep, zoals gedefinieerd in overweging 30 en de artikelen 66 tot en met 71 van Verordening 2017/1001, indien zijn bevoegdheid beperkt zou blijven tot het naleven van beslissingen van de eerste-instanties van het EUIPO [zie arrest van 13 mei 2020, Global Brand Holdings tegen EUIPO (XOXO), T-503/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:183, punt 60 en de daarin aangehaalde jurisprudentie].

63       Gelet op het voorgaande heeft de Raad van Beroep, met uitzondering van de producten "apotheekdozen, draagbaar, gevuld", terecht in punt 53 van de bestreden beslissing geconcludeerd dat het aangevraagde merk beschrijvend is in de zin van artikel 7, lid 1, onder c), gelezen in samenhang met artikel 7, lid 2, van Verordening 2017/1001, voor de betreffende goederen en diensten.