9 sep 2026,
Gerecht: oppositie tegen WALLAPOP raakt zonder voorwerp nadat oudere Spaanse merken tijdens procedure verstrijken
Gerecht EU 9 september 2026, IEF 23815; IEFbe 4301; ECLI:EU:T:2026:550 (wallapop). Het Gerecht verwerpt het beroep van Unipreus tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO in de oppositieprocedure tegen het aangevraagde Uniebeeldmerk WALLAPOP. Unipreus had haar oppositie voor bepaalde diensten in klasse 35 gebaseerd op drie oudere Spaanse beeldmerken. In een eerder arrest uit 2018 had het Gerecht de toenmalige beslissing van de kamer van beroep gedeeltelijk vernietigd, omdat die ten onrechte had geoordeeld dat de betrokken diensten verschillend waren; het Gerecht stelde vast dat zij ten minste in geringe mate soortgelijk waren. Daarmee stond echter nog niet vast dat sprake was van verwarringsgevaar, omdat overeenstemming van de tekens en identiteit of soortgelijkheid van de waren of diensten cumulatieve voorwaarden zijn en de kamer van beroep destijds nog geen volledige beoordeling van het verwarringsgevaar had verricht. Nadat dat arrest definitief was geworden, moest de kamer van beroep opnieuw beslissen en daarbij zowel het eerdere arrest als relevante nieuwe omstandigheden meenemen. Tijdens die vervolgprocedure bleek dat de inschrijvingen van de oudere Spaanse merken wegens niet-vernieuwing waren verstreken; dit verlies van geldigheid was uiteindelijk bevestigd door definitieve nationale rechterlijke beslissingen van 25 oktober 2023 en 7 maart 2024.
Volgens het Gerecht mocht en moest de kamer van beroep met dat nieuwe feit rekening houden. Uit artikel 8, leden 1 en 2, van Verordening nr. 207/2009, gelezen in het licht van het arrest EUIPO/Nowhere, volgt dat een ouder ingeschreven merk niet alleen ouder moet zijn dan de aangevraagde Uniemerkaanvraag, maar ook nog moet bestaan en bescherming moet genieten op het moment waarop het EUIPO definitief over de oppositie beslist. Is het oudere merk vóór die beslissing niet langer beschermd, dan kan zijn wezenlijke herkomstfunctie niet meer door de inschrijving van het jongere merk worden aangetast en kan de oppositie daarop niet langer worden toegewezen. Dat de oudere rechten hier door niet-vernieuwing verloren gingen en niet, zoals in EUIPO/Nowhere, door Brexit, maakt daarbij geen verschil. Het meenemen van deze nieuwe omstandigheid schendt evenmin het gezag van gewijsde van het arrest uit 2018 of het rechtszekerheidsbeginsel, omdat het verlies van geldigheid pas nadien is ingetreden. Ook het beroep van Unipreus op artikel 55 van Verordening nr. 207/2009 faalt, omdat die bepaling over de rechtsgevolgen van verval en nietigheid alleen op Uniemerken ziet, terwijl het hier om nationale Spaanse merken gaat. Tussen partijen stond bovendien vast dat het verlies van geldigheid ex nunc werkte, vanaf 30 oktober 2019 respectievelijk 3 februari 2020. De kamer van beroep heeft daarom terecht geoordeeld dat de oppositie zonder voorwerp was geraakt. Het beroep wordt volledig verworpen en Unipreus wordt in de kosten verwezen.
52 Ten eerste moet worden vastgesteld dat volgens artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 inschrijving van het aangevraagde merk na oppositie door de houder van een ouder merk wordt geweigerd „wanneer het gelijk is aan of overeenstemt met het oudere merk en betrekking heeft op dezelfde of soortgelijke waren of diensten, indien daardoor verwarring bij het publiek kan ontstaan op het grondgebied waarop het oudere merk beschermd wordt” en dat „verwarring [...] het gevaar van associatie met het oudere merk [omvat]”. Voorts moet krachtens artikel 8, lid 2, van die verordening onder „oudere merken” met name worden verstaan de in een lidstaat of in de Europese Unie ingeschreven merken en merken ingeschreven ingevolge internationale overeenkomsten met werking in een lidstaat of in de Unie, waarvan de datum van de aanvraag tot inschrijving voorafgaat aan de datum van de Uniemerkaanvraag.
53 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat de toepassingsvoorwaarden van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 in de tegenwoordige tijd zijn opgesteld. Evenzo is de uitdrukking „wordt de inschrijving van het aangevraagde merk geweigerd”, die verwijst naar de beslissing van het EUIPO tot toewijzing van de oppositie en tot afwijzing van de Uniemerkaanvraag, eveneens in de tegenwoordige tijd opgesteld (arrest van 5 februari 2026, EUIPO/Nowhere, C‑337/22 P, EU:C:2026:71, punt 106). Bovendien heeft artikel 8, lid 2, van deze verordening uitdrukkelijk betrekking op een temporeel criterium betreffende de voorafgaande verwerving van de rechten op het teken waarop de oppositie is gebaseerd, op grond waarvan die rechten op een eerder tijdstip moeten zijn verkregen dan de datum van indiening van de betrokken Uniemerkaanvraag of, in voorkomend geval, de datum van voorrang waarop deze oppositie is gebaseerd.
54 Met betrekking tot opposities die zijn gebaseerd op ingeschreven oudere merken waarop artikel 8, lid 1, onder b), en lid 2, van verordening nr. 207/2009 van toepassing is, volgt uit de bewoordingen van deze bepaling dat de datum van indiening van de Uniemerkaanvraag weliswaar relevant is ter beoordeling of deze ingeschreven oudere merken eerder waren verkregen, maar dat voor de toewijzing van de oppositie is vereist dat die oudere merken nog bestaan op de datum waarop over die oppositie wordt beslist. Terwijl artikel 8, lid 2, van die verordening „oudere merken” voor de toepassing van artikel 8, lid 1, in wezen definieert als „de merken waarvan de datum van de aanvrage om inschrijving voorafgaat aan de datum van de aanvrage om een [Unie]merk, waarbij in voorkomend geval rekening wordt gehouden met het ten behoeve van die merken ingeroepen recht van voorrang”, bepaalt artikel 8, lid 1, onder b), van die verordening namelijk dat de inschrijving van het aangevraagde merk na oppositie door de houder van een ouder merk wordt geweigerd wanneer aan de voorwaarden van laatstgenoemde bepaling is voldaan, namelijk indien daardoor verwarring bij het publiek kan ontstaan op het grondgebied waarop het oudere merk wordt beschermd, omdat het aangevraagde merk gelijk is aan of overeenstemt met het oudere merk en de twee merken betrekking hebben op dezelfde of soortgelijke waren of diensten (zie in die zin en naar analogie arrest van 5 februari 2026, EUIPO/Nowhere, C‑337/22 P, EU:C:2026:71, punt 109).
55 Ten tweede wordt deze uitlegging bevestigd door de context van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.
56 Het Hof heeft immers geoordeeld dat uit de bewoordingen van artikel 8, leden 1 en 2, van verordening nr. 207/2009, en die van artikel 8, lid 4, van die verordening, waarvan de structuur vergelijkbaar is, volgt dat de verkrijging van het oudere recht dat wordt ingeroepen ter ondersteuning van een op deze bepaling gebaseerde oppositie, inderdaad moet worden beoordeeld aan de hand van de datum van indiening van de aanvraag tot inschrijving van het betrokken Uniemerk of, in voorkomend geval, de datum van voorrang. Daaruit volgt echter ook dat deze oppositie slechts kan worden toegewezen indien dit oudere recht de houder ervan krachtens de wetgeving van een lidstaat of van de Unie „het recht verleent om het gebruik van een later merk te verbieden” niet alleen op die datum, maar ook op de latere datum waarop die oppositie wordt ingesteld en tot de datum waarop wordt beslist of „de inschrijving van het aangevraagde merk wordt geweigerd” (arrest van 5 februari 2026, EUIPO/Nowhere, C‑337/22 P, EU:C:2026:71, punten 107 en 109).
57 Het Hof heeft met betrekking tot artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009 tevens geoordeeld dat de vraag of er nog steeds een geldig ouder recht bestaat dat bescherming geniet, moet worden beoordeeld op de datum waarop het EUIPO definitief uitspraak doet over de oppositie om te beslissen of „de inschrijving van het aangevraagde merk wordt geweigerd”, daaronder begrepen in het stadium van het beroep voor de kamer van beroep. Dit is een vraag die het EUIPO moet beantwoorden alvorens na te gaan of de opposant heeft aangetoond dat dit oudere recht bovendien voldoet aan de materiële voorwaarden van artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009 en met name dat dit recht de houder ervan het recht verleent om het gebruik van een later merk te verbieden (arrest van 5 februari 2026, EUIPO/Nowhere, C‑337/22 P, EU:C:2026:71, punt 112).
58 Ten derde vindt de uitlegging in punt 54 hierboven eveneens steun in de doelstellingen van de oppositieprocedure.
59 In dit verband moet worden opgemerkt dat de criteria betreffende het voorafgaande karakter die zijn vermeld in artikel 8, lid 2, van verordening nr. 207/2009 – met betrekking tot ingeschreven oudere merken – uitvoering geven aan het in overweging 12 van verordening 2017/1001 in herinnering gebrachte voorrangsbeginsel (zie in die zin arrest van 5 februari 2026, EUIPO/Nowhere, C‑337/22 P, EU:C:2026:71, punt 114).
60 Volgens het voorrangsbeginsel komt het uitsluitende recht dat verordening nr. 207/2009 en verordening 2017/1001 aan de houder van het Uniemerk verlenen, toe aan diegene die het betrokken merk als eerste heeft ingeschreven of verkregen. Bijgevolg blijkt uit artikel 46 van verordening nr. 207/2009 dat de datum van indiening van de inschrijvingsaanvraag voor dit merk of, in voorkomend geval, de datum van voorrang die is ingeroepen ter ondersteuning van die aanvraag, bepalend is. In geval van conflict tussen twee merken wordt het eerst verkregen of het als eerste ingeschreven merk geacht de ter verkrijging van de bescherming gestelde voorwaarden te vervullen vóór het als tweede ingeschreven Uniemerk (zie arrest van 5 februari 2026, EUIPO/Nowhere, C‑337/22 P, EU:C:2026:71, punt 115 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
61 Vanuit dit oogpunt beantwoordt de oppositieprocedure, die een van de in het kader van de inschrijvingsprocedure voor Uniemerken beschikbare mechanismen van voorafgaande controle is, aan een preventieve doelstelling die erin bestaat te voorkomen dat Uniemerken worden ingeschreven die in conflict kunnen komen met andere merken, door de houder van een ouder merk de mogelijkheid te geven om te verhinderen dat een teken dat afbreuk aan dat merk kan doen, wordt ingeschreven, onverminderd de mogelijkheid waarover deze houder krachtens verordening nr. 207/2009 beschikt om een inbreukvordering wegens het gebruik van een later merk of een vordering tot nietigverklaring van dat merk in te stellen nadat het merk is ingeschreven (zie arrest van 5 februari 2026, EUIPO/Nowhere, C‑337/22 P, EU:C:2026:71, punt 116 en aldaar aangehaalde rechtspraak).