Gepubliceerd op donderdag 17 september 2026
IEFBE 4307
Gerecht EU - Tribunal UE ||
16 sep 2026,
Gerecht EU - Tribunal UE 16 sep 2026,, IEFBE 4307; ECLI:EU:T:2026:571 (Remington SYNERGY WORLD), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-eu-bevestigt-nietigheid-remington-synergy-world-wegens-kwade-trouw

Gerecht EU bevestigt nietigheid Remington SYNERGY WORLD wegens kwade trouw

Gerecht EU 16 september 2026, IEF 23835; IEFbe 4307; ECLI:EU:T:2026:571 (Remington SYNERGY WORLD). Het Gerecht verwerpt het beroep van Sudex OÜ tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO waarbij het Uniemerk Remington SYNERGY WORLD nietig is verklaard wegens kwade trouw op grond van artikel 59 lid 1 onder b UMVo. Voor de vaststelling van kwade trouw moet op basis van alle relevante omstandigheden objectief worden beoordeeld of de aanvrager het merk niet heeft aangevraagd met het doel eerlijk aan het handelsverkeer deel te nemen, maar met de bedoeling de belangen van derden in strijd met eerlijke gebruiken te schaden of een uitsluitend recht te verkrijgen voor doeleinden die buiten de functies van een merk vallen. Het Gerecht onderschrijft het oordeel dat sprake is van nabijheid tussen de betrokken marktsectoren. De voor het betwiste merk ingeschreven waren in de klassen 18 en 25 omvatten categorieën die ook specifiek voor de jacht bestemde producten kunnen omvatten. Deze waren en de vuurwapens en munitie waarop het oudere REMINGTON-merk betrekking heeft, kunnen zich bovendien tot dezelfde consumenten, namelijk jagers, richten en in dezelfde winkels worden verkocht. Voor nietigverklaring wegens kwade trouw is daarbij niet vereist dat een ouder merk betrekking heeft op identieke of soortgelijke waren of diensten. Evenmin hoeft noodzakelijkerwijs verwarringsgevaar te worden vastgesteld.

Ook mocht de kamer van beroep aannemen dat Sudex bij de aanvraag op de hoogte was van het oudere REMINGTON-merk. Daarbij kon zij rekening houden met het langdurige gebruik van REMINGTON, ook buiten de Unie, en met het feit dat beide ondernemingen actief waren in de jachtsector. Sudex heeft het vermoeden van kennis van het oudere merk niet kunnen weerleggen. Daarnaast is het oudere woordmerk REMINGTON volledig opgenomen in het betwiste teken en neemt het daarin een centrale plaats in. Volgens het Gerecht zijn de tekens daardoor in zeer hoge mate visueel overeenstemmend en fonetisch identiek. Voor de beoordeling van de bedoeling van Sudex mocht bovendien worden gekeken naar het gebruik van het teken na de aanvraagdatum. Sudex gebruikte varianten die vrijwel identiek waren aan de wijze waarop Ammunition Operations haar REMINGTON-teken gebruikte en bood daarmee jachtgerelateerde producten aan. Deze omstandigheden ondersteunden het oordeel dat Sudex met haar aanvraag bewust een associatie met de oudere merken wilde oproepen en wilde profiteren van de erkenning en goodwill van Ammunition Operations op de jachtmarkt. Het Gerecht bevestigt daarom dat Sudex bij de merkaanvraag te kwader trouw handelde en laat de nietigverklaring van het Uniemerk in stand.

16      While, in accordance with its usual meaning in everyday language, the concept of ‘bad faith’ presupposes the presence of a dishonest state of mind or intention, that concept must also be understood in the context of trade mark law, which is that of the course of trade. Thus, the absolute ground for invalidity referred to in Article 59(1)(b) of Regulation 2017/1001 applies where it is apparent from relevant and consistent indicia that the proprietor of an EU trade mark has filed the application for registration of that mark not with the aim of engaging fairly in competition but with the intention of undermining, in a manner inconsistent with honest practices, the interests of third parties, or with the intention of obtaining, without even targeting a specific third party, an exclusive right for purposes other than those falling within the functions of a trade mark, in particular the essential function of indicating origin (judgment of 12 September 2019, Koton Mağazacilik Tekstil Sanayi ve Ticaret v EUIPO, C‑104/18 P, EU:C:2019:724, paragraphs 45 and 46).

82      In that regard, it must be borne in mind that, although the relevant time for the purpose of determining whether there was bad faith on the part of the applicant is the time the application for registration was filed, use of the contested mark may constitute a factor to be taken into account when establishing the intention underlying the application for registration, including use subsequent to the date of that application (see judgment of 29 June 2022, Hijos de Moisés Rodríguez González v EUIPO – Ireland and Ornua (La Irlandesa 1943), T‑306/20, EU:T:2022:404, paragraph 81 and the case-law cited).

89      Since all the arguments relied on by the applicant have been rejected, it is necessary to confirm the Board of Appeal’s assessment, in paragraphs 96 and 99 of the contested decision, by which it found, first, that the applicant had acted in bad faith when it applied for registration of the contested mark and, secondly, and on that ground, upheld the application for a declaration of invalidity on the basis of Article 59(1)(b) of Regulation 2017/1001.