Gepubliceerd op maandag 16 maart 2026
IEFBE 4138
Gerecht EU - Tribunal UE ||
25 feb 2026
Gerecht EU - Tribunal UE 25 feb 2026, IEFBE 4138; ECLI:EU:T:2026:146 (Empreinte tegen EUIPO), https://ie-forum.be/artikelen/gerecht-bevestigt-weigering-van-3d-merk-voor-kurkentrekker-wegens-technisch-bepaalde-vorm

Gerecht bevestigt weigering van 3D-merk voor kurkentrekker wegens technisch bepaalde vorm

Gerecht EU 25 februari 2026, IEF 23361; IEFbe 4138; ECLI:EU:T:2026:146 (Empreinte tegen EUIPO). In dit arrest staat de aanvraag centraal voor een driedimensionaal Uniemerk bestaande uit de vorm van een kurkentrekker, aangevraagd voor “kurkentrekkers” in klasse 21. De examinator had aanvankelijk een bezwaar wegens gebrek aan onderscheidend vermogen opgeworpen, maar dat later laten vallen en vervangen door een weigering op grond van artikel 7, lid 1, onder e, ii, UMVo, omdat het teken volgens hem uitsluitend bestond uit de vorm van het product die noodzakelijk is om een technisch resultaat te bereiken. De Kamer van Beroep bevestigde die weigering. Voor het Gerecht vorderde Empreinte niet alleen vernietiging van de bestreden beslissing, maar ook een verklaring voor recht dat artikel 7, lid 1, onder e, ii, UMVo niet van toepassing was en een bevel tot inschrijving van het merk. Het Gerecht verklaart zich voor die laatste twee vorderingen onbevoegd, omdat het in een beroep op grond van artikel 263 VWEU geen declaratoire uitspraken kan doen en evenmin bevelen aan EU-instellingen kan geven. Vervolgens verwerpt het Gerecht alle aangevoerde middelen. Het oordeelt allereerst dat de Kamer van Beroep haar beslissing voldoende heeft gemotiveerd in de zin van artikel 94, lid 1, UMVo. De Kamer van Beroep had de wezenlijke kenmerken van het teken geïdentificeerd als een onregelmatige ergonomische handgreep die de vorm van een handafdruk benadert, met uitsparingen voor de vingers en de duim, en een staaf die uitloopt in een spiraal. Daarnaast had zij duidelijk uiteengezet waarom die kenmerken beantwoorden aan de technische functie van het product, namelijk het verwijderen van een kurk uit een fles door het gereedschap vast te nemen, de metalen spiraal in de kurk te draaien en de kurk vervolgens verticaal uit de flessenhals te trekken. Dat Empreinte die beoordeling inhoudelijk bestrijdt, raakt volgens het Gerecht aan de materiële juistheid van de beslissing en niet aan de motiveringsplicht als zodanig.

Ook de procedurele bezwaren falen. Het Gerecht benadrukt dat het EUIPO vóór de registratie op elk moment opnieuw een andere absolute weigeringsgrond kan onderzoeken, ook als een eerder bezwaar is ingetrokken. Dat is niet in strijd met het recht op goed bestuur of het recht om te worden gehoord, zolang de aanvrager de gelegenheid krijgt om op die nieuwe grond te reageren. Dat was hier het geval, omdat Empreinte na de tweede mededeling van bezwaar haar opmerkingen heeft kunnen indienen en ook in beroep bij de Kamer van Beroep standpunt heeft kunnen innemen. Ten gronde volgt het Gerecht de Kamer van Beroep in haar toepassing van artikel 7, lid 1, onder e, ii, UMVo. Daarbij acht het van belang dat voor de beoordeling van de technische functionaliteit niet alleen naar de zichtbare vormelementen mag worden gekeken, maar ook naar onderdelen die inherent en onmisbaar zijn voor het concrete product, zelfs als zij in de grafische voorstelling met stippellijnen zijn weergegeven en volgens de aanvrager niet als zodanig worden geclaimd. Daarom mocht de Kamer van Beroep ook de metalen spiraal betrekken bij haar analyse van de functie van de kurkentrekker. Verder verwerpt het Gerecht het betoog dat de vorm esthetisch, origineel of creatief is. Ook als een wezenlijk kenmerk daarnaast een esthetische waarde of ongebruikelijk karakter heeft, sluit dat toepassing van artikel 7, lid 1, onder e, ii, UMVo niet uit, zolang dat kenmerk tegelijk noodzakelijk is voor het technische resultaat. De verwijzing naar alternatieve vormen op de markt helpt Empreinte evenmin, omdat het bestaan van alternatieve oplossingen volgens vaste rechtspraak niet afdoet aan de toepasselijkheid van deze uitsluitingsgrond. Ook de perceptie van het publiek, het ontbreken van technische documenten zoals octrooien of expertises, en eerdere EUIPO-beslissingen zijn hier niet beslissend. Het Gerecht oordeelt bovendien dat de Kamer van Beroep een eenvoudige visuele analyse mocht verrichten en zich niet verplicht hoefde te baseren op technisch extern bewijsmateriaal, gelet op de aard van het product en de vorm. Daarmee faalt ook het betoog dat de bewijslast zou zijn omgekeerd of dat het EUIPO zijn verplichting tot ambtshalve feitenonderzoek van artikel 95, lid 1, UMVo heeft geschonden. Het Gerecht concludeert daarom dat het aangevraagde teken uitsluitend bestaat uit een vorm die noodzakelijk is om het technische resultaat van een kurkentrekker te bereiken, zodat inschrijving terecht is geweigerd. Het beroep wordt volledig afgewezen. Omdat het EUIPO alleen om een proceskostenveroordeling had verzocht voor het geval een mondelinge behandeling zou plaatsvinden en geen zitting is gehouden, draagt iedere partij haar eigen kosten.

67       In dit verband dient te worden opgemerkt dat, volgens de vaste rechtspraak, de uitdrukking ‘essentiële kenmerken’ moet worden opgevat als verwijzend naar de belangrijkste elementen van het teken (arrest van 14 september 2010, Lego Juris tegen OHIM, C-48/09 P, EU:C:2010:516, punt 69). Bovendien heeft de aanwezigheid van een of enkele minder belangrijke, willekeurige elementen in een teken waarvan alle essentiële elementen worden bepaald door de technische oplossing die het teken uitdrukt, geen invloed op de conclusie dat het teken uitsluitend bestaat uit de vorm van het product die nodig is om een ​​technisch resultaat te bereiken (zie arrest van 11 mei 2017, Yoshida Metal Industry tegen EUIPO, C-421/15 P, EU:C:2017:360, punt 27 en de daarin aangehaalde rechtspraak).

68       In het onderhavige geval moet worden opgemerkt dat de verzoekster, door te stellen dat de "ruwheid en onregelmatigheden [...] eerder een kwestie zijn van willekeurige esthetische keuzes dan van essentiële technische kenmerken", erkent dat de vorm van het handvat, die de morfologie van een menselijke hand nabootst, ook een functioneel effect heeft, hoewel zij dit als secundair beschouwt.

69       Om de toepassing van artikel 7, lid 1, onder e), punt ii), van Verordening 2017/1001 uit te sluiten, is het echter noodzakelijk dat de betreffende vorm ten minste één niet-functioneel element bevat, zoals een decoratief of fantasievol element, dat tegelijkertijd een belangrijke rol speelt (arrest van 14 september 2010, Lego Juris tegen OHIM, C-48/09 P, EU:C:2010:516, punt 72). Hieruit volgt dat, zoals de Raad van Beroep terecht opmerkte in de bestreden beslissing, het feit dat een essentieel element van het aangevraagde merk, dat noodzakelijk is voor het bereiken van een technisch resultaat, tevens esthetische waarde of een ongebruikelijk karakter bezit, de toepassing van artikel 7, lid 1, onder e), punt ii), van Verordening 2017/1001 niet uitsluit.

70       Bovendien, met betrekking tot de bewering van de verzoeker dat de Raad van Beroep de verhoogde en verzonken kenmerken van het handvat, die de anatomie van een menselijke hand nabootsen, als essentiële kenmerken heeft gekarakteriseerd, dient te worden opgemerkt dat de Raad van Beroep slechts aannam dat, zelfs indien de onregelmatige uitsteeksels en oneffenheden als essentieel werden beschouwd, zij niettemin bijdroegen aan het technische resultaat door een betere grip op het gereedschap mogelijk te maken. De Raad van Beroep oordeelde derhalve terecht dat de verschillende inkepingen, uitsteeksels en oneffenheden, hoe essentieel ook, niet louter esthetisch van aard waren.