10 okt 2019,
EUIPO mocht nieuw bewijs in FITNESS-zaak niet automatisch meenemen
Gerecht EU 10 oktober 2019, IEF 23834; IEFbe 4306; ECLI:EU:T:2019:737 (Nestlé tegen EUIPO en European Food). Nestlé registreerde het Uniewoordmerk FITNESS voor onder meer levensmiddelen, ontbijtgranen en niet-alcoholische dranken. European Food vroeg om nietigverklaring van het merk omdat FITNESS volgens haar beschrijvend was en onderscheidend vermogen miste. Tijdens een eerdere beroepsprocedure diende European Food aanvullend bewijs in bij de kamer van beroep. Die kamer liet het bewijs buiten beschouwing omdat het pas in beroep was ingediend. Het Gerecht vernietigde die beslissing in 2016. Het Hof van Justitie liet dat oordeel in 2018 in stand. Na die vernietiging boog een andere kamer van beroep zich opnieuw over de zaak. Zij ging ervan uit dat zij het eerder ingediende bewijs nu moest meenemen. Mede op basis van dat bewijs verklaarde zij het merk FITNESS nietig wegens het beschrijvende karakter en het ontbreken van onderscheidend vermogen.
Volgens het Gerecht heeft de kamer van beroep de eerdere uitspraken daarmee verkeerd uitgelegd. Daaruit volgde alleen dat bewijs niet automatisch te laat of niet-ontvankelijk is omdat een partij het voor het eerst bij de kamer van beroep indient. Daaruit volgde niet dat de kamer van beroep dat bewijs vervolgens automatisch moest toelaten. De eerdere uitspraken namen de beoordelingsruimte van de kamer van beroep dus niet weg. De kamer moest alsnog beoordelen waarom European Food het bewijs pas in beroep had ingediend en waarom indiening tijdens de procedure bij de nietigheidsafdeling niet mogelijk was. Pas daarna kon zij beslissen of zij het bewijs zou meenemen. Die beoordeling heeft zij overgeslagen. Doordat de kamer van beroep ervan uitging dat zij verplicht was het bewijs mee te nemen, gebruikte zij haar beoordelingsruimte niet. Ook motiveerde zij niet waarom het bewijs werd toegelaten. Het Gerecht beoordeelt niet zelf of het bewijs alsnog toelaatbaar is. Dat is aan het EUIPO. Het Gerecht toetst alleen de rechtmatigheid van de beslissing en kan de beoordelingsruimte van het EUIPO niet zelf invullen. Het Gerecht vernietigt daarom de beslissing van de kamer van beroep. Het komt niet toe aan de vraag of FITNESS beschrijvend is of onderscheidend vermogen mist.
44 Consequently, contrary to what the intervener maintains, evidence submitted in due time for the first time before the Board of Appeal in invalidity proceedings which is either evidence supplementary to that submitted in the proceedings before the Cancellation Division or evidence on a new matter which could not be raised during those proceedings is not automatically admissible. It is for the party presenting that evidence to justify why that evidence has been submitted at that stage of the proceedings and demonstrate that submission during the proceedings before the Cancellation Division was impossible (judgment on appeal, paragraph 43). Accordingly, it is for the Board of Appeal to assess the merits of the reasons put forward by the party which has submitted that evidence in order to exercise its discretion as to whether or not it should be taken into account.
47 It must be held that, in the light of the fact that the Board of Appeal erroneously found that it followed from the judgment on appeal and the annulment judgment that it was required to take the evidence at issue into account, the applicant is right in claiming that the Board of Appeal erred in failing to exercise its discretion and to state the reasons on which its decision as regards the taking into account of that evidence was based, contrary to the case-law cited in paragraphs 37 and 38 above. Furthermore, EUIPO admits that the Second Board of Appeal did not exercise its discretion regarding whether or not the evidence at issue should be taken into account, although, in principle, it has such a discretion.