Gepubliceerd op woensdag 14 februari 2024
IEFBE 3716
HvJ EU - CJUE ||
25 jan 2024
HvJ EU - CJUE 25 jan 2024, IEFBE 3716; ECLI:EU:C:2024:72 (BL tegen MediaMarktSaturn), https://ie-forum.be/artikelen/prejudiciele-beslissing-over-geldigheid-van-artikel-82-avg

Prejudiciële beslissing over geldigheid van artikel 82 AVG

HvJEU 25 januari 2024,IT&R 4475,IEFbe 3716; ECLI:EU:C:2024:72 (BL tegen MediaMarktSaturn) In deze zaak heeft BL een elektrisch apparaat gekocht van MediaMarktSaturn (hierna: MMS). Hierbij werden verschillende persoonsgegevens verwerkt. Door een fout werden zowel het apparaat als de documenten met persoonsgegevens aan een derde overhandigd. BL stelt hierdoor immateriële schade te hebben geleden.

De verwijzende rechter vraagt zich bij de eerste vraag af of artikel 82 AVG geldig is en of het recht op schadevergoeding daadwerkelijke immateriële schade vereist. Het Europees Parlement betoogt dat deze vraag niet-ontvankelijk is vanwege het ontbreken van een specifieke motivering van de verwijzende rechter over waarom hij twijfelt aan de geldigheid van deze bepaling. Volgens het Reglement voor de procesvoering van het Hof moet de verwijzende beslissing een duidelijke uiteenzetting bevatten van de redenen waarom vragen worden gesteld over de geldigheid van het Unierecht. Omdat de verwijzende rechter geen specifieke redenen heeft gegeven voor zijn twijfels over de geldigheid van artikel 82 AVG, wordt de eerste prejudiciële vraag als niet-ontvankelijk verklaard.

De tweede vraag van de verwijzende rechter betreft de vereisten voor het recht op schadevergoeding volgens artikel 82 AVG. Hij vraagt zich af of niet alleen moet worden aangetoond dat de AVG is geschonden, maar ook of de persoon die om schadevergoeding verzoekt daadwerkelijk immateriële schade heeft geleden. Het Hof stelt dat volgens artikel 82, lid 1, van de AVG een persoon die een schadevergoeding eist, moet aantonen dat er sprake is van geleden schade als gevolg van een inbreuk op de AVG. Het is dus niet voldoende om alleen de schending van de verordening aan te tonen. Er moet ook bewijs zijn van materiële of immateriële schade als gevolg van deze schending.

32. In dit opzicht is de motivering van de prejudiciële verwijzing van wezenlijk belang om niet alleen het Hof in staat te stellen bruikbare antwoorden te geven, maar ook om de regeringen van de lidstaten en de andere belanghebbende partijen toe te laten opmerkingen in te dienen overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Meer in het bijzonder dient het Hof de geldigheid van een Unierechtelijke bepaling te onderzoeken in het licht van de redenen van ongeldigheid die in de verwijzingsbeslissing zijn opgenomen, zodat het ontbreken van iedere vermelding van de precieze redenen waarom de verwijzende rechter twijfelt over de geldigheid van een Unierechtelijke bepaling, leidt tot de niet-ontvankelijkheid van de vragen inzake die geldigheid (zie in die zin arresten van 15 juni 2017, T.KUP, C‑349/16, EU:C:2017:469, punten 16‑18, en 22 juni 2023, Vitol, C‑268/22, EU:C:2023:508, punten 52‑55).

61. Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 82, lid 1, AVG aldus moet worden uitgelegd dat de persoon die krachtens die bepaling om schadevergoeding verzoekt, niet alleen moet aantonen dat er bepalingen van die verordening zijn geschonden, maar ook dat hij door die schending materiële of immateriële schade heeft geleden.